woensdag 18 december 2013

De implosie van het protestantisme

In dit artikel wil ik een plaatsbepaling doen over het Nederlandse protestantisme: wat is zij? Daarbij zal ik aandragen dat de kenmerken van denominaties van het protestantisme tegenwoordig zijn gestoeld op individuele perspectieven van haar gemeenteleden, en niet (bijvoorbeeld) op de bijbel. Daartoe zal ik eerst aangeven hoe dit tot stand is gekomen en vervolgens wat dit betekent voor de waardering van het protestantisme. Let wel: de denominaties minus de reformatische.

Ontstaan van het individualisme
Er zijn verschillende redenen te geven waarom het protestantse geloof tegenwoordig inhoud wordt gegeven door individuele opvattingen. Heel direct komt dit door de invloed van het individualisme, dat de kerk is binnengedrongen en daar vaste grond heeft gekregen. Dit individualisme houdt onder meer in dat het aan het individu is om te bepalen hoe moet worden gedacht en gedragen. Deze ideologie is de afgelopen vijf jaar gemeengoed geworden (en uit zich in alle vormen van de samenleving), maar een langere tijd 'in wording’ is hieraan vooraf gegaan. Voor de hand liggend is dat dit individualisme een start heeft gehad in het postmodernisme; het failliet van ‘de waarheid’. Wat ook op het individualisme van invloed is geweest is het relativisme (met bijvoorbeeld Feyerabend als boegbeeld) en de angstcultuur die is overgewaaid vanuit Amerika, met individuele onzekerheid tot gevolg en de noodzaak van het individu om zichzelf te redden. Daarnaast heeft het idee van ‘The American Dream’ bijgedragen aan het individualisme. Hoe mooi dit idee ook klinkt; het betekent ook dat het individu zelf verantwoordelijk mag worden gehouden voor hoe zijn leven eruit ziet, en het individu daarom op zichzelf is teruggeworpen om zijn leven vorm en betekenis te geven. Naast deze invloeden is er de afgelopen jaren sprake geweest van voortschrijdende inzichten die het individualisme verder in de kaart speelden. Zo weten we nu dat eenduidige uiteindelijke interpretaties van bijbelteksten niet te maken zijn omdat ons beeld van de tijd van ‘toen’ verandert door steeds vermeerderende kennis en wij tegelijkertijd ook continu veranderen, waardoor alleen sprake kan zijn van momentopnames. Ook hebben we door de globalisatie tegenwoordig toegang tot andersdenkenden en merken we dat op zijn minst gediscussieerd kan worden over een veelheid aan gedachten en gebruiken en dat niet alleen wij de ideeën van een ander, maar zij daardoor ook evenzo die van ons als relatief kunnen zien. Iets anders betreft de ontdekkingen van de wetenschap die kerkelijken op een veelheid aan punten hun zekerheden doet verliezen. Heel praktisch kan gedacht worden aan inzichten uit de zorg (zo kwam met de diagnose 'psychotisch' bezetenheid op de helling), kan met een nanoprinter (levend) weefsel atoom voor atoom worden opgebouwd (en is het dus niet meer enkel God die leven schept), zij het in het beginstadium, de evolutietheorie die zo sterk aan bewijzen wint dat protestanten steeds minder in verzet gaan maar eerder een manier zoeken om dit binnen hun geloof te implementeren, enzovoorts. Een laatste hier te noemen invloed op het individualisme betreffen de discussies binnen het protestantisme die haar pijlers omver werpen. Gedacht kan worden aan het ‘vermistigen’ van de begrippen hemel en hel en vragen als: Hoe dienen we aan te kijken tegen homoseksuelen? Is de wereld in zeven dagen geschapen? En: Wat moeten we nu letterlijk en figuurlijk nemen in de bijbel?

Het individualisme
Door bovenstaande (en meer) redenen is het individualisme nu verworden tot ‘de’ ideologie van Nederland, en eigenlijk van het gehele Westen. En hoewel veel in kerken is gepredikt over het gevaar van invloeden van buiten, is dit gedachtegoed ook binnen de kerkmuren de drijfveer van het gros geworden. In de kern houdt dit dus in dat het individu zelf bepaalt over zijn denken en doen. Maar uiteraard vloeit hier veel uit voort. Omdat het individu op zichzelf is teruggeworpen, draait het om de eigen authenticiteit (wat onder meer zichtbaar wordt in de social media), maar vooral ook om het zich weten te verstaan ten opzichte van de ander. Omdat het individu zelf zaken moet bepalen, omdat algemene zekerheden niet langer meer bestaan (zie boven) kunnen ideeën en gedragingen van anderen op zijn minst als relatief worden bestempeld en potentieel zelfs als gevaarlijk voor de individuele eigenheid. Gevolg hiervan is dat niet (langer) de houding wordt aangenomen om van elkaar te leren, om te zoeken naar gemeenschappelijk gedragen perspectieven, maar het tegenovergestelde: het in twijfel trekken van de ander, het in zichzelf terugtrekken van het individu als het gaat om overtuigingen van anderen die de eigen overtuigingen kunnen doen wankelen en alleen wanneer het de eigen ideeën versterkt of bestempelt iets van de ander overnemen. Het blijkt dat wanneer een mening wordt gegeven, een andere daar tegenover kan worden gesteld en zodoende alles betwijfelbaar is geworden. En omdat de mens niet in twijfel kan leven; vaste grond moet hebben, en deze vaste grond niet gemeenschappelijk kan worden vastgesteld, moet het individu daarom maar voor zichzelf zekerheden bedenken en die verdedigen. Ook hoort bij het individualisme een eenzijdige concentratie op het positieve. Omdat het individu authentiek moet zijn en zelf iets moet maken van zijn leven, is diegene de meest gevierde individualist die het meest eigen en succesvol is op zoveel mogelijk vlakken. Hierbij horen bijzondere ervaringen, verre reizen, grote sportieve prestaties, een groot sociaal netwerk, de hang naar 15 minutes of fame (zie The Voice of Holland, Holland's Got Talent, e.d.), een glansrijke baan, enzovoorts. Positieve aspecten die gekoppeld kunnen worden aan zijn persoon en hem daardoor ook als mens succesvol maken. Negatieve aspecten betekenen ‘failure’. Dit noodzakelijk positief moeten zijn omdat anders gezichtsverlies dreigt wegens het slecht kunnen managen van het bestaan is in wezen een angstige reactie op de complexe wereld waarin we tegenwoordig leven en wordt ook hoe langer hoe meer onhoudbaar. Iets dat bijzonder hard ervaren wordt door hen die buiten de boot vallen. Ondanks deze impliciete strijd staat bij het individu ironisch genoeg ook gelijkheid centraal: niemand kan zich boven een ander verheffen omdat niemand de wijsheid in pacht heeft en ieder evenveel uniek is. Dit overigens met directe gevolgen voor waarde dat immers betekenis krijgt door verschil. Uiteraard zijn er ook positieve kenmerken van het individualisme te noemen. Zo gedoogt en accepteert de mens zijn medemens eerder, heeft de gerichtheid op het positieve iets moois en valt er ook weinig tegenin te brengen dat de mens zich meer dan ooit wil ontplooien op vele vlakken.

Protestants individualisme
Al de zaken die ik hierboven beschreef zijn ook in het protestantisme zichtbaar geworden. Inhoudelijk theologisch bijvoorbeeld omdat tegenover de interpretatie van een bijbeldeel door de ene de interpretatie van een ander staat en hierdoor dat het ‘in the eye of the beholder’ is geworden hoe de bijbel gelezen dient te worden. Voorgangers hebben niet langer het alleenrecht op een juiste exegese, gemeenteleden zijn mondig geworden en bepalen zelf hoe ze het gesprokene valideren. De eenzijdige positiviteit valt te merken doordat tegenwoordig de nadruk wordt gelegd op de verlossing, waar het twintig jaar geleden juist de zonde was; nu eens niet de machtige Vader van vijftien jaar geleden centraal maar de Zoon en vooral de Heilige Geest, die nu positiviteit ademen. Het afsluiten van de ander is te zien in de miniwijken, waar over allerlei zaken gepraat wordt maar de geslotenheid toeneemt naarmate dichterbij de eigen vastigheden wordt gekomen. Hiermee niet implicerend dat individualisten geen sociale wezens zijn (juist meer dan anderssoortigen) maar met als grens de eigen onzekerheden. Kerken moeten heden ten dage vernieuwend zijn in verband met veranderende smaken, met een constante zoektocht naar nieuwe vormgevingen van erediensten en rituelen, eigenlijk een zoektocht naar het individuele van de kerken, een zoektocht naar het authentieke van het gemeenschappelijke: vernieuwen om het vernieuwen (zij die niet meedoen vallen af). Tijdens bijbelstudies of mannenavonden wordt zelden tot nooit meer toegewerkt naar een conclusie, omdat die niet meer geformuleerd kan worden. Gemeenteleden wisselen tussen denominaties in hun zoektocht naar wat past bij hun authentieke persoonlijke overtuiging: ‘what’s in it for me?’ (zoals ook het teruglopen van twee kerkbezoeken per zondag naar een of minder daar een voorbeeld van is). Voorgangers zijn niet langer het hoofd van de kerk, maar staan naast diakenen, koffieschenkers en commissieleden omdat die allen evenzo bijdragen aan het in stand houden en voorthelpen van de kerk. En juist door het individualisme bestaat over dit alles verschil van mening of dit een constructieve beweging is of niet.

Het protestantisme in identiteitscrisis
Het gevolg van dit alles is dat het protestantisme in een identiteitscrisis verzeild is geraakt. Want waar eerder de eredienst, bijbelinterpretatie en perspectief op de toekomst gemeenschappelijk gedragen werd en vaststond, is tegenwoordig het omgekeerde het geval. Omdat de bijbel blijkbaar niet eenduidig valt te interpreteren, staat geen perspectief meer met zekerheid vast. Hierdoor zijn mensen leidend geworden in de omgang met die bijbel en bepaling van de inhoud daarvan. Het gegeven dat het vloeken in de kerk is geworden om te spreken over de ware kerk, de interne beslissing dat nu moet worden geconcentreerd op de Zoon en Heilige Geest en hooguit mondjesmaat nog op de Vader, de benadrukking van de verlossing tegenover de eerdere beklemtoning van de zondeval getuigen ervan dat we in een situatie zijn beland waar we als mensen willen bepalen waar het zwaartepunt in de bijbel ligt en wat belangrijk is in een eredienst. Een aantal basale opvattingen die gemeenschappelijk worden gedragen daargelaten (bijvoorbeeld het bestaan van de drie-eenheid, hoewel: hoe moeten we die eigenlijk zien? Bijvoorbeeld: de wereld is door God geschapen, hoewel: wanneer dan, hoe lang dan, en de evolutietheorie dan? Bijvoorbeeld: de bijbel als woord van God, hoewel: moeten we die (deels) letterlijk of figuurlijk nemen? Bijvoorbeeld: Christus is voor ons gestorven aan het kruis, hoewel: voor wie eigenlijk? Enzovoorts.), is het tegenwoordig aan het individu hoe wordt gedacht en omgegaan wordt met het protestantisme. Niet onbegrijpelijk dat de tucht binnen dit gedachtegoed een hachelijk onderwerp is geworden. Toch kan dit alles vanuit een optimisme worden bekeken: al de veranderingen en inzichten die zijn gekomen, zijn mogelijk voortgekomen uit de drang van de mens om beter te worden, het beter te doen. Maar ondanks dat is ook de stand van zaken dat we niet langer meer weten wat nu de eenduidig juiste interpretatie van de bijbel is, wat (met andere woorden) God wil en bedoeld heeft. Dit kan twee dingen betekenen: we hebben in onze onwetendheid en simpelheid het protestantisme per ongeluk kapot geredeneerd óf het protestantisme is inderdaad door God bedoeld als ‘in the eye of the beholder’.

Het failliet van het protestantisme
Ervan uitgaande dat het protestantisme niet kapot is geredeneerd, nog bestaat en sterker: is wat God wil, dan moeten we concluderen dat God het tegenwoordige protestantisme bedoeld heeft als voortkomend uit ‘the eye of the beholder’, te meer daar we dat in het verleden al konden zien: de verschillende stromingen uit het verleden (Middeleeuwen, Renaissance, Romantiek, enzovoorts) gaven verschillende blikken op de bijbel, ook het individualisme is zo’n tijdvak met een eigen blik, waardoor tijdvakken langdurige perspectieven zijn geweest op exegese. Dit doet vermoeden dat onze blik op de ontwikkeling van het protestantisme door de eeuwen heen een dynamisch karakter heeft gehad en dat dat dynamische blijkbaar ingebouwd moet zijn in het protestantisme, willen die zienswijzen hebben kunnen en mogen bestaan (en niet in het minste: hebben kunnen leiden tot onze huidige zienswijze, die algemeen als juist wordt bestempeld). God heeft dan dus in het protestantisme gelegd dat er ruimte is voor verschil van bijbelinterpretatie (en dus ruimte voor onze individuele opvattingen over wie God is en wat hij wil), door de stromingen heen. Dit neemt niet weg dat er een stroming bij kan zitten die juist afbreuk doet aan dat dynamische protestantisme, bijvoorbeeld het besproken individualisme.

Wanneer we zeggen dat we in onze huidige individualistische stroming het protestantisme niet kapot hebben geredeneerd maar het individualisme een juiste zienswijze is (het idee van ‘in the eye of the beholder’), heeft dat bijzonder verstrekkende gevolgen. Een aantal hier te noemen: 1) de bijbel is niet eenduidig; omdat over alles kan getwist worden), 2) God heeft niet voor ogen dat we de inhoud van het protestantisme gemeenschappelijk belijden; omdat het individueel mag zijn bepaald, 3) het protestantisme is gebouwd op individuele opvattingen en gevoelens; wat wordt beleden is individueel bepaald, 4) en voortkomend uit het vorige punt: hierdoor zijn wij het tegenwoordig die bepalen wat God bedoeld (heeft); wij zijn het die zeggen hoe de bijbel moet worden geïnterpreteerd dus wat de boodschap van God daarin was; een vermenselijking van het Goddelijke.

Wat deze gevolgen in ieder geval impliceert is dat we met dit nieuwe denken het protestantisme zoals we dat tot nu toe kenden (waarin we zijn opgegroeid) failliet kunnen verklaren. Een implosie, aangezien het uiteindelijk de kerkelijken zijn die dit hebben bewerkstelligd.

Actie = reactie
Afgezien van wat dit met het protestantisme doet, ben ik zelf een sterk tegenstander van het  individualisme in zijn algemeenheid (directe uitwassen in de samenleving zijn onder andere de financiële crisis, de afstand tussen politiek en burger, een publiek domein gebouwd op wantrouwen, een angstcultuur die nog in opmars is en te denken valt bijvoorbeeld aan de verzakelijking van het gemeenschappelijke, de ommezwaai van verbond- naar contractdenken, om met prof. Roel Kuiper te spreken). Het brengt geen vermeerdering van wijsheid door anderen; de concentratie ligt op de eigen gedachten. Daarnaast gaat het gemeenschappelijke verloren wat als directe gevolgen onder andere angst, stress, onveiligheid, eenzaamheid, afstand en sudderende somberte geeft. Ook heeft het individualisme een groot aantal interne tegenstrijdigheden. Om een aantal te noemen: iedereen is gelijk, maar de ‘beste’ individualist gooit de hoogste ogen. Iedereen is waardevol (inclusief ieders gedachten) maar slechts zolang het de eigen zekerheden niet aantast. Er geldt een eenzijdige gerichtheid op het positieve, maar vanuit angst. Het gaat om het individu, maar wordt collectief gedragen. Dat laatste brengt ook zijn twijfels mee over de huidige zienswijze op het protestantisme. Deze is verworden tot een collectief van individuen, terwijl het gaat om een gedachtegoed die we eerder deelden. Wanneer dat niet langer meer aan de orde is, we in kerken samen komen terwijl dat waar we tezamen voor bij elkaar zijn, dat waarin we elkaar vinden en wat onze band bepaalt, verschillend is per individu, dan bestaat dat wat onze band bepaalt niet langer en kun je je ten zeerste afvragen waarom we precies samenkomen, juist kijkende vanuit individualistisch perspectief. In mijn opinie is het, afgezien van het protestantisme, tijd voor een nieuwe stroming (iets dat, zo leert de geschiedenis, sowieso gaat gebeuren aangezien stromingen elkaar altijd hebben afgewisseld: actie = reactie). Een nieuwe stroming waarin juist verbroedering, vergemeenschappelijking, het wijzer willen worden door de ander en het neigen naar eenduidigheid centraal staan. Niet vanuit het idee dat dit direct realiseerbaar is, maar vanuit het idee dat deze houding het meest eerbiedwaardig is. Omdat het niet gaat om het doel, maar de weg er naar toe.

vrijdag 27 september 2013

Het belang van de kunsten als gevaar voor haar belang

De discussie over het belang van kunst is iets dat bestaat zolang de kunst zelf bestaat (zowel binnen kunstkringen als daarbuiten). Toch kan worden verdedigd dat de huidige discussie binnen de samenleving en politiek heviger is dan vele perioden hiervoor. En de motivatie hiervoor is begrijpelijk. In deze tijd van financiële crisis moet omwille van het overheidsbudget scheiding in prioriteit worden gemaakt waar de overheid haar geld in investeert. Pijnlijk voor sommige segmenten, maar helder wordt hierdoor ook wat in maatschappij en politiek als van belang wordt gezien. Daarbij blijken de kunsten voor de meerderheid van de bevolking niet van het grootste belang; reden waarom er daar veel wordt bezuinigd en wordt aangestuurd op zelfredzaamheid: zoals door stimulatie van crowdfunding en het toewerken naar een verzakelijking en commercialisering vanuit de kunsten zelf. Het idee hierachter is dat de sterken zullen blijven bestaan en het niet te tragisch is dat de zwakkeren het onderspit zullen delven; want wat heb je aan kitsch? De crisis noopt de burger om stelling te nemen ten opzichte van budgetten die naar de verschillende ministeries gaan, want de geldstromen zijn door deze crisistijd bij hen meer dan ooit voelbaar in hun portemonnee. De kunstwereld daarentegen is in een positie dat ze haar eigen belang moeten kunnen verwoorden: wat is het aan haar dat ze een budget van de overheid waard is? En hierin zit de pijnlijkheid: dat verwoorden kan de kunstwereld niet. Dit komt niet omdat ze niet capabel is om te communiceren, maar omdat dat niet kunnen verwoorden eigen is aan de kunsten.

In eerste instantie kan uiteraard veel worden ingebracht om het belang van de kunsten aan te tonen. Kunst levert bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage aan de cultuur, en cultuur bepaalt onze samenleving voor een groot deel: hoe we tegen schoonheid aankijken, wat onze normen en waarden zijn, et cetera. En niet in het minste kan worden aangedragen dat de kunsten belangrijk zijn om de kunsten zelf; het product en het proces dat hieraan vooraf is gegaan (en hier mogelijk uit volgt) als deel van het kunstwerk.

Ondanks deze, ogenschijnlijk onbetwijfelbare, argumenten heeft de overheid (en hieruit voortvloeiend: de burger) echter nog steeds geen handvat om te bepalen of haar geld daaraan welbesteed is. Want met inbegrip van deze punten kan zij nog steeds scheiding aanbrengen binnen de kunsten: zij die hier een belangrijker bijdrage aan leveren dan andere (sommige zelfs geen). Er dient met andere woorden een bepaling te worden gedaan wat kunst en geen kunst is, om daarmee te bepalen wie het zijn die in de kunstwereld die bijdrage daadwerkelijk leveren aan cultuur, samenleving en de kunsten zelf. Hierdoor wordt helder dat bij de discussie over de toegevoegde waarde niet alleen moet worden beargumenteerd ‘wat kunst doet’ (bijdrage leveren aan cultuur, enzovoorts), maar ook ‘wie kunst maakt’. En in beide gevallen is het nodig te weten wat kunst nu eigenlijk is: wat is binnen deze professie kunst en hieruit voortvloeiend: wie maakt dat? Simpel gezegd: goed, ik ben overtuigd dat de kunsten subsidiewaardig zijn, maar waar kan het geld dan naartoe?

En hier stuiten we op het probleem. De kunsten kunnen zelf niet vertellen wat ‘kunst’ is. Er kan worden gesproken over kwaliteit, over bijdragen van kunstenaars aan stromingen, aan uniciteit van creaties, aan noviteiten. Maar over welk onderwerp ook gesproken wordt, uiteindelijk blijft de mogelijkheid dat zowel binnen als buiten de kunstwereld over al deze zaken verschillend kan worden gedacht: een definitie van kunst (als basis) niet gegeven wordt.

Dit is ook niet meer dan terecht. Een definitie van kunst vált niet te geven. De reden is dat de kunsten bij uitstek individualistisch zijn. Een kunstenaar kan alleen tot bloei, tot uiting, komen wanneer hij geheel de ruimte krijgt, niet door een ander wordt begrensd in denken en het creëren van kunst en daarnaast zoveel mogelijk bij zichzelf blijft. Een proces dat gedurende het hele leven van de kunstenaar voortduurt omdat het in feite een zoektocht naar het zelf is: wat onuitputtelijk is. Omdat de kunstenaar authentiek moet zijn, geen concessies moet of kan doen aan de buitenwereld, ‘trouw moet zijn aan zichzelf’ en hen die dit dwarsbomen zoveel mogelijk moet zien te weren, maakt dat er in de kunsten noodzakelijk zoveel meningen als mensen zijn over het eigene van de kunst. Aangezien iedereen een uniek perspectief naar de werkelijkheid en dus ook naar de kunsten heeft. Iets dat tot uiting komt op het moment dat in debat wordt gegaan over kwaliteit en uiteindelijk: het zijn van de kunsten zelf.

Met dit unieke ontwaren we iets verbazingwekkends: dit wezenlijke aspect van de kunst (dat hoe dan ook van invloed is op de definitie van kunst) toont aan dat die definitie niet valt te formuleren. We kijken naar het object ‘kunst’, stellen vast dat die ongrijpbaar is, maar zien wel een fragment van dat object dat ons vertelt dat het ongrijpbaar is, dus in wezen ook het aspect van het authentieke. Het authentieke vertelt ons, met andere woorden, dat ook het authentieke voor ons ongrijpbaar, niet te formuleren valt. Het totaal is niet te bevatten omdat een deel van dat totaal ons dat vertelt, waardoor (wanneer wij dat deel bevatten) dat deel vervolgens niet meer te bevatten is. Iets dat in die hoedanigheid alleen bij de kunsten voorkomt.

Het eigene van de kunsten is schitterend om wat ze door haar eigenheid bewerkstelligen, maar een problematisch gegeven voor het aantonen van haar belangen. Het authentieke binnen de kunsten is nodig voor haar existentie, maar daardoor niet te veralgemeniseren, tastbaar te maken in een algemeen gedragen definitie, ook (zo zagen we) het authentieke zelf niet. Omdat een definitie van kunst gedwongen moet uitblijven, kan daardoor ook niet eenduidig worden aangetoond wat wel en niet kunst is (wat meer en minder kwaliteit is), wat ‘zij’ bewerkstelligd (want wie is ‘zij’?), wat haar nut is en wat dus al dan niet subsidie verdient.  

De kunsten vechten in het debat voor hun belang, voor de importantie van het hebben van een belangrijke plaats in de maatschappij, maar juist door wie ze zijn kan hun belang niet worden verwoord. Met andere woorden; zouden de kunsten wezenlijk kunnen aantonen waarin hun belang schuilt, dan zouden het a priori niet meer de kunsten kunnen zijn die dat vertellen. Het is voor de kunsten nodig dat hun belang niet kan worden gecommuniceerd, terwijl dat belang ervoor zorgt dat hun belang niet zichtbaar kan worden zodat geldstromen vanuit de overheid kunnen worden gerealiseerd. Het is dus de existentie van de kunsten die haar noodzakelijk in levensgevaar brengt. Maar zou zij omwille van dat gevaar veranderen, dan zou zij niet meer deze kunsten zijn en zou deze verandering niet van nut zijn voor de huidige kunsten. Als de kunsten verloren gaan vanwege het uitblijven van financiële middelen, dan gaan de kunsten verloren door wie ze is.

vrijdag 13 september 2013

Subjectiviteit en objectiviteit


Objectiviteit gaat al lange tijd gebukt onder felle kritiek; vooral binnen het postmodernisme. In het huidige tijdsgewricht lijkt dat tot een climax te komen; in een cultuur van individualisme draait het om de mens zelf, is het het individu dat zijn werkelijkheid moet vormgeven en kan ‘de’ werkelijkheid niet langer meer bestaan, het is in the eye of the beholder.

Het op een voetstuk plaatsen van het subjectieve in de huidige tijd heeft onder andere tot gevolg dat geen plaats meer is voor het objectieve. Want als het objectieve stadium niet kan worden behaald, zo is de gedachte, waarom daar dan nog naar streven? Kan niet beter aandacht uitgaan naar dat wat wel gerealiseerd kan worden? Wat voor mij persoonlijk als concreet waardevol wordt ervaren?

Naast deze afweging vloeit uit het individualisme voort dat een rivaliteit ontstaat tussen individuen, in de persoonssfeer, maar ook in het werkveld. Wanneer geen gemeenschappelijk gedragen kennis bestaat, is het aan het individu zelf om dit voor hem of haar vast te stellen en treden problemen op wanneer moet worden samengewerkt. Tijdens de samenwerking moet namelijk noodzakelijk worden uitgegaan van gemeenschappelijke vertrekpunten en doelen, en om daartoe te komen moeten de diverse perspectieven van betrokken individuen worden vergeleken en samen worden bepaald wat gezamenlijk wordt en individueel blijft. En aangezien ieder is teruggeworpen op het eigen perspectief, dat het fundament van zekerheid vormt, zal een ieder daaraan vast willen houden en zal, hoe mondiger en sterker het individu is, het eigen perspectief in het gemeenschappelijke worden geclaimd.

Wat voor het individu uiteindelijk in het geding is, is of de energie die gestoken zou kunnen worden in het verkrijgen en overdragen van objectieve kennis opweegt tegen dat uiteindelijke kennis over dat waarop wordt geconcentreerd, niet te verkrijgen is. Of anders; of het nuttiger is iets na te streven wat uiteindelijk niet te verkrijgen is of het lonender dat op een nooit eindigende weg kennis wordt vermeerderd, als daarover al gesproken kan worden. Wat met het punt van de vermeerdering namelijk opdoemt is dat het problematisch is om vast te stellen hoeveel kennis eigenlijk wordt opgedaan wanneer er geen eindpunt is. Wanneer het eindpunt ontbreekt, is er geen schaal meer te maken tussen begin en einde, en kan dus ook niet worden gezegd op welk punt binnen die schaal iemands kennis zich bevindt. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de mate van vermeerdering van kennis niet valt vast te stellen binnen de denkwijze van het lonend zijn van vermeerdering van kennis ondanks dat de eindstreep niet kan worden gehaald, maar dat op basis van logica objectief kan worden vastgesteld dat vermeerdering wel plaatsvindt, zij het in een onbekende gradatie.

De denkwijze van de voorstanders van objectivisme; waarin de weg belangrijker is dan het doel, mag dan wel als antwoord opleveren dat kennis wordt vermeerderd, maar is er ook sprake van objectieve kennis? Objectiviteit impliceert dat iets pas een feit is wanneer deze is vastgesteld onafhankelijk de mening van mensen; er geen interpretatie bij is komen kijken, terwijl subjectiviteit een persoonlijk oordeel of zienswijze veronderstelt van het individu. Over de mogelijkheid, zij het gradueel, van het verkrijgen van objectieve kennis valt geen twijfel; er kan niet zoiets bestaan als objectieve kennis. Er is geen kennis die niet is verwoord door een individu, en verwoorden is al het verklanken, het vertalen en dus vervormen van kennis. Objectieve kennis bestaat in dat licht niet. Maar het merkwaardige is dat we ook de vraag kunnen stellen hoe werkbaar en nuttig subjectieve kennis voor ons is. Wij vervormen ook subjectieve kennis onbewust en gedreven door onze natuur, onafhankelijk onze wensen, terwijl het idee vaak naar voren komt dat subjectieve kennis kennis is die we hebben vervormd naar hoe het voor ons prettig is, gevormd naar ons eigen perspectief. Terwijl we onszelf meer dan minder voor de gek houden met onze gedachten, uitgangspunten en logische fundamenten. We hebben dus een tweedeling tussen vermeende objectieve kennis en vermeende subjectieve kennis, in de zin dat subjectieve kennis niet de naar ons eigen perspectief gevormde kennis is maar in wezen enkel vervormde kennis door ons mens-zijn betekent; en daarin niet anders is dan de objectieve. Subjectieve kennis wordt heden gezien als kennis opgedaan door het individu, maar dit geeft een complexere conclusie, namelijk dat in die zin subjectieve kennis verheven is tot objectieve, want concreet, reëel en echt, want ervaren. Wanneer we dus een keuze maken tussen subjectieve en objectieve kennis; de maatschappij heden ten dage subjectieve verkiest boven objectieve, is het de vraag waarin het onderscheid zich in de kern bevindt. Ook over subjectieve kennis kan worden geponeerd dat het individu zich eeuwig kan blijven afvragen of hij op welk gebied ook het eindstation heeft bereikt; ‘echt’ weet wat de kennis is die hij subjectief heeft ontvangen, en of het niet eerder is dat dit soort kennis zich blijft vormen en vermeerdering blijft plaatsvinden zonder definitief iets te kunnen vaststellen; net als bij het objectieve.

Dat gezegd hebbende wordt de voorkeur voor objectiviteit of subjectiviteit sowieso een merkwaardige. Een individu kan over beide niet te weten komen of uiteindelijke kennis verkregen is, enkel dat hij de weg daar naar toe bewandelt en dat dus ook niet valt vast te stellen hoe dicht hij bij de uiteindelijke kennis is, in ieder geval dat hij bij de uiteindelijke kennis nooit zal komen, mede omdat daarvoor nodig is te weten wat die uiteindelijke kennis is (en hij het dan al zou kennen, al op het eindpunt zou wezen).

We zouden dus alle kennis subjectieve kennis moeten noemen, wat betekent dat de betekenis die we momenteel verlenen aan subjectiviteit opnieuw moet worden vastgesteld, wat leidt tot 3 soorten subjectieve kennis: 1) subjectieve kennis zoveel mogelijk ontdaan van persoonlijke voorkeur, 2) subjectieve kennis zoveel mogelijk vervormd naar persoonlijke voorkeur en 3) subjectieve kennis zonder actieve vervorming richting of vandaan persoonlijke voorkeur.

Bezien we kennis vanuit deze drie vormen, dan wordt transparant dat objectieve kennis alleen wordt verworpen omdat persoonlijke voorkeur niet aan de orde is, en spelen zaken als (mate van) verkrijgbaarheid geen rol meer. Kennis ontdaan van persoonlijke voorkeur is kennis die als onderwerp ‘dat wat zich onafhankelijk van ons bestaat’ heeft. Wat niet per definitie impliceert dat wij daarin geen rol zouden kunnen vervullen of dat wij ons dat niet eigen zouden kunnen maken, maar waarvoor wij als  specifiek individu niet nodig zijn om te bestaan. Een lantaarnpaal in Egypte (onderwerp van kennis) ten opzichte van een grootmoeder uit Lelystad (individu), een grassprietje in de VS (onderwerp van kennis) ten opzichte van een peuter uit Madagaskar. Het is ook in die hoedanigheid dat we moeten omgaan met het al dan niet verwerpen van objectiviteit, zo leert ons het voorgaande. En dus doet de vraag die in het begin al gesteld werd zich in andere vorm voor: is het nuttig (al dan niet om het eigen voordeel) om energie te besteden aan het verwerven van subjectieve kennis zoveel mogelijk ontdaan van persoonlijke voorkeur?

Binnen dit artikel is het pleidooi dat het streven naar vermeerdering van dit soort kennis inderdaad nuttig is, zowel voor de ontwikkeling van het individu als van de maatschappij. Op persoonlijk vlak, omdat dit het mens-zijn bij uitstek tot zijn recht doet komen (in wezen een individualistische zienswijze, om in de oude betekenissen te spreken: subjectieve gronden voor objectieve kennis binnen de discussie tussen objectiviteit en subjectiviteit). Dat dit het mens-zijn versterkt komt tot uiting bij het vergelijk tussen mens en dier. Waar het dier zich laat leiden door subjectieve kennis in combinatie met persoonlijke voorkeur, onderscheidt de mens zich door zich ook te kunnen richten op subjectieve kennis ontdaan van persoonlijke voorkeur. Het is daardoor deze kennisvermeerdering die het meeste het mens-zijn benadrukt en die het meeste recht doet aan het mens-zijn.

Voor de ontwikkeling van de maatschappij is dit soort kennis evenzo van groot belang. In gemeenschappelijk gedragen normen en waarden die bij uitstek krachtig zijn omdat daarbij niet moet worden uitgegaan van het individueel afzonderlijke maar het algemeen gedragene. Maar ook kan gedacht worden aan de verschillende werkvelden die indirect de maatschappij mede vormen en helpen ontwikkelen. De filosofie, de economie, het recht, de gezondheidszorg: in ieder vakgebied is het raadzaam om kennis te gebruiken die niet afhankelijk is van het individu maar algemeen is geaccepteerd.

Om de psychiatrie als voorbeeld te nemen, hierbij is het elementair dat subjectiviteit, of mijn nieuwe formulering: subjectieve kennis met inbegrip van persoonlijke voorkeur (al dan niet actief) bij diverse taken niet aanwezig is. Tijdens het observeren van ziektebeelden, het in contact zijn met patiënten, de overdracht tussen diverse diensten, het duiden van stoornissen in de vorm van diagnoses, de rapportages die moeten worden geschreven, bij deze allen dient geneigd te worden naar het zoveel mogelijk vrij zijn van persoonlijke voorkeur. Deze persoonlijke voorkeur impliceert niet enkel de individuele smaak, dit behelst in wezen enige vorm van begrenzing die wordt aangelegd in het kijken, interpreteren en denken. In het geval van de psychatrie liggen daardoor aannames op de loer, maar even zo gevaarlijk is het kokerperspectief waarin elk gedrag en denken van een patiënt wordt geïnterpreteerd vanuit zijn of haar ziektebeeld terwijl naast het zieke gedrag ook sprake kan zijn (vaak juist sprake van is) van gezond gedrag en denken. Wanneer aannames en kokerperspectieven geen aspect van aandacht zijn, wordt de vermeerdering van subjectieve kennis die zoveel mogelijk is en wordt ontdaan van persoonlijke voorkeur, belemmerd. En dit heeft desastreuse gevolgen. Ter verduidelijking een voorbeeld; wanneer een patiënt een verhaal vertelt over dat hij een nare jongen heeft gezien die raar praat onder water kan, wetende dat hij psychotisch is, kan al worden ingevuld dat hier zich een symptoom van zijn ziektebeeld doet gelden. Terwijl doorvragen aan de oppervlakte kan brengen dat hij Spongebob Squarepants heeft gekeken op televisie. Wanneer het niet gericht zijn op wat wij hiervoor objectiviteit noemden zich blijft herhalen, moeten rapportages, diagnoses, overdrachten en dergelijke op zijn minste in twijfel worden getrokken. En krijgt een patiënt op basis van de verkeerde duiding een verkeerde vervolgbehandeling (of volgt zelfs ontslag zonder natraject) dan kan het niet gehoord en begrepen worden uiteindelijk zonder overdrijving leiden tot suïcide. Een verkeerde duiding (zo lazen we eerder) op basis van aannames, kokerperspectief of uit rivaliteit omtrent perspectieven.

Niet alleen om het persoonlijke voordeel, ook om het gemeenschappelijke zou het individu dus vermeerdering van subjectieve kennis zoveel mogelijk ontdaan van persoonlijke voorkeur tot doel moeten hebben, let wel: naast vermeerdering van de overige twee kennisvormen, altijd afhankelijk van tijd, plaats, motivatie, nut en doel. Niet alleen belemmert de weigering hiervan het tot recht komen van het individu, van de mens in het algemeen, ook werkt dit de ontwikkeling van beschaving van de maatschappij tegen en heeft het afwijzen/het niet omarmen van deze kennis, zo lazen wij, in uiterste gevallen zelfs de dood tot gevolg.

Deze situationele omarming van het streven naar wat we eerder objectiviteit noemden, kan worden bewerkstelligd door continu zich bewust te zijn van het eigen denken, de eigen geschiedenis tot op heden en of het aan de orde is dat bij denken en gedrag de eigen geschiedenis tot op heden gekoppeld wordt aan de situatie, het object, waarnaar objectief dient te worden toegetreden. Bij het neigen naar (de eerdere) objectiviteit, dient dit zo min mogelijk te gebeuren. Hoe frequenter in gedachten erbij stil wordt gestaan of de eigen geschiedenis betrokken wordt bij huidig denken en gedrag, hoe meer kan worden bemerkt of dit gebeurt en als dit gebeurt, de relatie tussen beide actief en zo snel mogelijk kan worden verbroken. Dit vereist een hoge mate aan zelfkennis (namelijk de werking van het eigen denken, herkenning van de eigen geschiedenis, en het kunnen controleren van gedachten en gedachtevormingen), maar heeft een nobel doel: verhoging van de menselijke en maatschappelijke waarde en voorkoming van situationeel verval door fouten die voorkomen hadden kunnen worden. Het blijft neigen, maar parallel aan onze natuurlijke neiging om te streven naar optimalisatie, welke natuur ook nooit verzadigd is maar toch wil.

zondag 11 augustus 2013

'Ik vind' in plaats van 'het is zo'

Inleiding
Ik zal hier in het kort de ethische stroming/ideologie bespreken die in het huidige westen momenteel normatief is (en zelfs is doorgedrongen tot de andere aanwezige ideologieën, zoals de religieuze en politieke). Een stroming die ironisch het collectief individualisme zou kunnen worden genoemd en die naast positieve kanten ook kenmerken vertoont die zorgwekkend zijn en in het persoonlijke en publieke domein schade oplevert aan het collectief en het individu. Een pleidooi daarom om als maatschappij te (blijven) kijken naar wat verbeterd kan worden en zo een nieuwe stroming in te luiden die in ieder geval deze negatieve kanten niet vertoont.

Karakter van ideologieën
Onder ideologie verstaan we het geheel van ideeën over de mens, menselijke relaties en de inrichting van de samenleving. Een ideologie heeft drie indelingen, een descriptieve of analytische (1), prescriptieve of normatieve, (2) en een operationele (3). De descriptieve of analytische beschrijft hoe het huidige wereldbeeld eruitziet (zo zegt het Socialisme dat het proletariaat wordt uitgebuit door de bourgeoisie, zeggen de ‘Groenen’ dat de mens meer verbruikt dan de aarde kan produceren. Binnen het prescriptieve of normatieve wordt een utopie beschreven van hoe de wereld er moet uitzien, hieruit komen de waarden en normen (socialisme: klasseloze maatschappij, collectivering en solidariteit; liberalisme: vrijheid, fundamentele burgerrechten; Groen: duurzame en rechtvaardige samenleving; Neoliberalisme: vrije markt, economie) voor. Het operationele beschrijft hoe men van A naar B moet gaan (socialisme: via de revolutie van het proletariaat; sociaaldemocratie: via geleidelijke hervormingen via het parlement, Groen: ecologische voetafdruk verkleinen & sociale correcties). Ideologieën kunnen algemeen van aard zijn, maar zich ook specifiek toespitsen op een bepaald aspect van de samenleving, zoals de politiek (bijvoorbeeld imperialisme of globalisme) of het economisch stelsel (bijvoorbeeld het kapitalisme).

Ontwikkeling van ideologieën
Wat betreft de ontwikkeling van ideologieën kan gezegd worden dat er zijn die al lang bestaan, en er zijn die frequent worden afgewisseld. Er zijn overtuigingen die gemeenschappelijk gedragen worden, onafhankelijk van de tijdelijke ideologie zoals ‘eer uw vader en uw moeder, gij zult niet doden, stelen, vals getuigenis spreken’, enzovoorts. Maar er zijn ook overtuigingen die kortdurend zijn, meer een tand des tijds. Zo zal de globalisatie niet meer een groot debatonderwerp zijn wanneer deze zich heeft voltrokken. Blijkbaar heeft de mens een ‘eeuwige’ overtuiging naast een tijdelijke die ingewisseld wordt door anderen. Dit zou kunnen komen omdat de ‘eeuwige’ overtuiging al eeuwen wordt gedeeld, terwijl de tijdelijke van korte duur is en dus: hoe langer hoe sterker in het brein, hoe korter hoe meer inwisselbaar. En korte overtuigingen die maatschappelijke ideologieën kenmerken wisselen, zo leert de geschiedenis ons, zich rond de 50 jaar af.

Waarom heeft de mens een ideologie
Een ideologie vloeit in het hele leven van de mens door. Een mens kan ook niet zonder een ideologie. Ook het verwerpen van elke ideologie kan als een ideologie worden gezien. Een mens heeft een ideologie nodig omdat het de pijlers van welke waarde ook bepaalt, het zekerheid brengt (omdat zaken via de ideologie kunnen worden vastgesteld, knopen kunnen worden doorgehakt, vertrek- en ankerpunten zijn), het de omgang met anderen bepaalt, doelen, de passies in het publieke domein maar het meest nog: een eigen identiteit en daardoor waarde van het individu.

De opkomst van het huidige denken
Vroeger werd status en waarde voor een groot deel bepaald door kennis. In het postmodernisme hebben we gemerkt dat, op dit moment althans, niets de uiteindelijke antwoorden geeft. Daarom heeft het collectief bepaald dat die uiteindelijke antwoorden niet te krijgen zijn, of ze nu bestaan of niet en moeten we in ons persoonlijke leven ook niet meer proberen die antwoorden tot doel te hebben; ik heb het hier onder meer over de fundamentele vragen in de filosofie: 1.Wat kan ik weten? 2.Wat moet ik doen? 3.Wat mag ik hopen? 4.Wat is de mens?, maar ook over de religieuze vraag: bestaat er een godheid? Qua status betekent de huidige ideologie dat geen mens meer qua kennis en wijsheid boven de ander uitstijgt en in die zin ieder gelijk is (welk werk, talent, leeftijd, ontwikkeling, enz. men ook maar heeft mogen krijgen). Door deze gelijkheid qua kennis speelt bij de waardering voor een mens kennis en wijsheid niet langer meer een rol.

Typering van het huidige denken (collectief individualisme)
De huidige ideologie redeneert als volgt. We hebben gemerkt dat niets ons onweerlegbare antwoorden geeft. Dus moeten we ervan uitgaan dat die uiteindelijke antwoorden niet te krijgen zijn, of ze nu bestaan of niet (dus moeten we in ons persoonlijke leven ook niet meer proberen die antwoorden tot doel te hebben), het descriptieve of analytische aspect. Na deze algemene aanname valt het slecht wanneer iemand meent een uiteindelijk antwoord te hebben gevonden, dit wordt gezien als arrogant, pretentieus, schofferend, neerbuigend, enzovoorts. Het prescriptieve of normatieve behelst veel. Om zelf niet zo te kijk te worden gezet, moeten we in het publieke veld niet meer uiteindelijke antwoorden promoten of uitspreken (wie zich daaraan onttrekt, heeft daardoor maling aan wat in de samenleving als redelijk, prettig en sociaal wordt gezien). Andersom betekent dit dat we groot respect voor de ander hebben: deze is namelijk net als onszelf, net zo mens, net zo in deze wereld, net zo ervaringen, emoties, enz. hebbend. We moeten door dit alles daarom terugvallen op dingen waar wel antwoorden op te geven zijn, en die dingen zijn: onze ervaringen als slechts een deel van het totaal wat mogelijk is (het operationele). Het niet meer kunnen najagen van uiteindelijke antwoorden kan het gevaar opleveren dat alles relatief is, betwijfelbaar, slechts in the eye of the beholder. En ook dat, als ik niet oppas, ik mij zelf als relatief kan zien. Dit zelfrelativisme heeft echter als groot gevaar dat ik niet trots, niet tevreden, respectvol, enzovoorts over mijzelf kan zijn. En dit geldt dan natuurlijk voor iedereen die deze gedachtegang aanhangt. Dit kan voorkomen worden door dat wat mij als individu kenmerkt, en de individuele ervaring, neer te zetten als dat wat reëel is (dit is immers ook wat, in tegenstelling tot de grote vragen, wel kenbaar is). En nu we de grote vragen naast ons neer moeten leggen, we vervolgens kunnen zeggen dat het individu wel reëel is, kunnen we dat ter vervanging in de leegte van het gebied van de verdwenen publieke grote vragen neerzetten. Dat maakt het individu tot het nieuwe grote ‘ding’ en mag daarom ook de status krijgen van het grote ding. Onderscheid lijkt door dit alles niet meer te kunnen worden gemaakt tussen individuen. Omdat het gemeenschappelijk/totalitaire streven naar iets niet meer zinvol is gebleken en onderscheid tussen personen toch zou leiden tot vaststellingen over wat meer en minder nastrevenswaardig is, en daardoor weer een hoger doel wordt gesteld waarop uiteindelijke antwoorden op zouden moeten komen. Toch is het wel mogelijk om als individu boven de ander uit te tornen, zelfs binnen een gemeenschappelijk gedragen individualisme, namelijk door te kijken naar: wie is de beste individualist? De beste is degene die het meest succesvol is in individu zijn en de meest individuele (en dus meest bijzondere) ervaringen heeft. Onder andere het milieu en de middelen waarover het individu beschikt, bepaalt vervolgens hoe dit wordt gecommuniceerd.

Struggle binnen deze ideologie
De gelijkheid (met als achtergrond het niet meer kunnen najagen van uiteindelijke antwoorden) kan dus het gevaar opleveren dat alles betwijfelbaar, slechts in the eye of the beholder, wordt, inclusief ik zelf. Dit zelfrelativisme heeft weer als groot gevaar dat ik niet trots, niet tevreden, respectvol, enz. over mijzelf kan zijn. Toch hebben de mensen, juist in dit tijdperk van relativisme en nihilisme, tevredenheid/houvast/zekerheid nodig. Daarnaast wil ieder meer dan ooit status en waarde hebben (waar ze dat in het verleden uit werk door kennis/wijsheid kregen). Een paradox, omdat iedereen het erover eens is dat ieder gelijk is aan de ander. Dit kan binnen de ideologie opgelost worden door twee grote knelpunten weg te vagen: die van de onzekerheid en die van gebrek aan status/waarde. Wat betreft de onzekerheid: dit kan opgelost worden door dat wat mij als individu kenmerkt, en de individuele ervaring, neer te zetten als dat wat reëel is (dit is volgens de mainstream immers ook wat, in tegenstelling tot de grote vragen, wel kenbaar is). Hierdoor kan iedereen zichzelf waarderen en bezit iedereen echte kennis uit die ervaring (dit naast de opgedane kennis op school of in werk, waarbij het niet draait om of het juist is, maar dat het nuttig is voor het eigen leven). Het gebrek aan status/waarde dat deze ideologie met zich meebrengt kan als volgt worden opgelost. Ervaring an sich lijkt de strategie tegen relativisme. Want we willen nog steeds ook status hebben (15 minutes of fame, media, social media, klant bepaald, enzovoorts) en ervaring op zich levert dat niet; want dat hebben we allen gelijk. Maar naast de ervaring zelf wordt puurheid, uniciteit/bijzonderheid en authenticiteit van die ervaring en dus het individu het hoogste goed om op te concentreren. Omdat zodoende binnen de gelijke mens met gelijke hoeveelheid ervaring toch nog verschil kan bestaan en dus status kan worden vastgesteld (wie heeft van deze begrippen namelijk het meeste). Dit hoewel we tegelijkertijd zeggen dat wat uniek, bijzonder en puur is, individueel bepaald is. However, dat maakt het individu tot de grote zaak om ons nu op te gaan richten, om centraal te stellen, als vervanger dus van de grote verhalen, van de zoektocht naar antwoorden op de grote vragen.

Waarom zouden we de huidige ideologie moeten willen verbeteren?
Er zijn veel positieve kenmerken van het huidige denken op te noemen, met als belangrijkste dat elk mens bestaansrecht heeft, getracht wordt om te leven zonder wedijverij en gericht wordt op geluk en schoonheid. Kenmerken die het uiteraard waard zijn om te behouden. Toch zijn er ook karakteristieken die beschavingen als de onze pertinent zouden moeten willen diskwalificeren. De vijf belangrijkste hoofdpunten wil ik hier kort zou willen noemen: 1) de teloorgang van het zoeken naar wijsheid, 2) het failliet van het gemeenschappelijke, 3) de veroordeling van het individu, 4) de waardeloosheid en 5) de interne tegenspraak van het collectief individualisme. Aangaande de wijsheid, de filosofie leert ons dat we per definitie niet de grondhouding moeten hebben dat we de kennis al zelf hebben, dat we tijdens het leren van anderen met groot enthousiasme onze eigen ideeën zouden moeten willen aanpassen, omdat het een teken van groei is. Door het cruciale standpunt heden ten dage dat ieders mening evenveel waard is, is ieders mening ook even weinig waard en is het niet meer mogelijk in debat te gaan en met elkaar tot conclusies te komen. Dit betekent het niet meer actief opdoen van kennis door de ander en een houding dat de ander aan het individu geen waardevermeerdering kan geven. Daarnaast is een andere belangrijke notie rond wijsheid verdwenen; dat het niet gaat om er te zijn, maar het gaat om de weg ernaar toe. De grote vragen zijn opgegeven omdat we die momenteel niet kunnen beantwoorden, maar afgezien van dat we niet kunnen uitsluiten dat we door grote toewijding dit in de toekomst mogelijk wel kunnen verwezenlijken gaat het voornamelijk om het wijzer worden, meer nog dan het wijs zijn. Aangezien dit alles noodzakelijk wordt uitgesloten door het huidige denken, is er heden een failliet van het streven naar wijsheid, en dus een beschaving die stilstaat op het gebied van wijsheid. Maar er zijn meer schadelijke kanten aan het denken, bijvoorbeeld in het sociale. Het collectief individualisme genereert een ieder voor zich mentaliteit wat veel gevolgen heeft: verminderde (zo niet verdwenen) gemeenschappelijk gedragen normen en waarden, een verminderde (zo niet verdwenen) gemeenschappelijke identiteit, maar belangrijker nog: een verdwenen vertrouwen in elkaar, een angstcultuur, een staat van egoïsme, een onthechting, enzovoorts. Ook heeft het collectief individualisme negatieve gevolgen voor het individu zelf. Omdat in de kern alles draait om zichzelf, moet alles van zichzelf komen en ligt het aan het individu wanneer, op welk gebied ook (liefde, werk, geluk, genot, waardering, enzovoorts), hij niet slaagt. Hoe complex de maatschappij ook is geworden en hoeveel externe factoren ook meespelen in ieders leven (we kunnen nu eenmaal niet in onze eigen kamer bepalen dat we morgen president van de VS zullen zijn), onze eigen vermogens worden bepalend voor ons leven, wat uitermate triest is voor degenen met tegenslag; zij hebben het in de kern van dit denken dan zelf verdiend, een oud idee eigenlijk. Inmiddels krijgen een miljoen Nederlanders antidepressiva voorgeschreven. Zonder het zelf te weten maakt het huidige denken alles daarnaast waardeloos. Omdat alles evenveel waarde heeft is er geen verschil meer in waarde. En aangezien waarde bestaat bij de gratie van verschil en dit verschil niet meer bestaat, bestaat geen waarde meer. Ieder mag voor zichzelf zeggen dat hij waarde kent, maar juist door het gelijk daarvan met de ander, wordt deze waarde opgeheven. Het schrijnende is des te meer dat deze stroming schoonheid hoog in het vaandel heeft staan die door hun denken in wezen wordt vernietigd. Als laatste is een te noemen kritiek op het collectief individualisme dat het een niet-coherente gedachte is. Dat komt, onder andere door de punten van de interne struggle, maar bij meer nog tot uiting. In dat het individualisme collectief wordt gedragen, om maar iets te noemen. Maar talloze andere voorbeelden zijn te noemen; de waardering voor het mede-individu beperkt zich tot waar het de eigen vrijheid niet aanraakt: onvoorwaardelijke ruimte voor het individu is ook in dit denken dus niet aanwezig. Er wordt geconcentreerd op schoonheid terwijl in dit denken verschil niet kan bestaan. Iedereen is evenveel waard, maar door de noodzaak tot status worden zij die meer authentiek individualistisch zijn (gekscherend: beter zijn in het collectief individualisme) als hoger in rang gezien dan zij die hier minder in slagen. Ervaring wordt gezien als hoogste goed, terwijl deze juist bij ieder gelijk aanwezig zijn. Ook komt bij het collectief individualisme het individu in wezen niet tot zijn recht; ook binnen deze stroming zijn namelijk impliciete regels aanwezig die de waarde van het individu bepalen (bijvoorbeeld: in hoeverre is hij authentiek?). Maar misschien de belangrijkste denkfout van deze stroming is wel dat de aanhangers zich ergeren aan degenen die in deze tijd toch nog een allesomvattend antwoord uitdragen, terwijl deze stroming uiteraard van mening is dat zijzelf het eindantwoord hebben met hun collectief individualistische kijk. Dezelfde logicafout als die van een eeuw geleden: de enige waarheid is dat er geen waarheid is.

Wat te doen?
Ik zou willen pleiten voor een gemeenschappelijk gedragen ideologie (in het publieke domein althans) die de pluspunten van het huidige denken heeft en de negatieve kanten ervan ombuigt tot positieve. Deze negatieve kanten, die wat mij betreft dus doelstellingen tot verbetering zijn: 1) de teloorgang van het zoeken naar wijsheid, 2) het failliet van het gemeenschappelijke, 3) de veroordeling van het individu, 4) de waardeloosheid en 5) de extreme fixatie op het individu. Hoe kan dit worden opgelost? 1) ons concentreren op vermeerdering van wijsheid, meer nog dan deze te hebben, 2) door punt 1 kan van elkaar worden geleerd, kunnen sterke en minder sterke argumenten bestaan en kan daardoor worden gekomen tot een gemeenschappelijk ethos, normen en waarden, een gezamenlijke identiteit, 3) niet het individu centraal stellen maar het individu tezamen met sociale factoren waar wij onmiskenbaar afhankelijk van zijn, 4) ook voortkomend uit punt 1: het durven denken in gradaties, voor de schoonheid, de wijsheid en de liefde en 5) zie punt 3.