zondag 12 juni 2011

Tijd bestaat niet

In 1687 publiceerde Newton zijn befaamde Principia (Philosophiae Naturalis Principia Mathematica, vertaald: De wiskundige beginselen van de natuurfilosofie) over de wetten van beweging. Een publicatie waarin Newton een beschrijving gaf van ‘zijn’ universum, die bestond binnen een onzichtbaar raamwerk van absolute ruimte. En tijd, zo zei Newton, stroomde daarin als een op zichzelf staande, onzichtbare rivier.

Deze Principia, een van de meest invloedrijke publicaties in de exacte wetenschappen ooit, is eeuwenlang leidend geweest voor de manier waarop mensen keken naar beweging en tijd. Dat stond en viel bij het idee dat zowel tijd als beweging absoluut waren, dat wil zeggen: op zichzelf staand, waaruit veranderingen in de werkelijkheid waren afgeleid. Pas in de 19e eeuw werd dit weerlegd door Ernst Mach (beroemd geworden door zijn Mach-getallen) die betoogde dat wij niet in staat zijn om veranderingen af te meten in tijd, tijd eerder een abstractie, een afgeleide is van hoe dingen veranderen. Niet tijd als basis van de veranderingen dus, maar eerst de veranderingen waarop de tijd later wordt toegepast. Iets wat Christiaan Huygens ten tijde van Newton trouwens al vermoedde, getuige zijn briefwisselingen met Leibniz. Wat hij zei kwam op hetzelfde neer: het kan niet waar zijn dat er zoiets is als absolute ruimte, want we zien alleen maar andere dingen. Waar het volgens Huygens om gaat is hoe iets zich verhoudt tot iets anders. En zodra dat geldt, kan absolutie niet meer gelden; iets is dus pas iets in verhouding met iets anders, niet op zichzelf. Ook tijd en beweging.

Na Mach kwamen vervolgens in de 20e eeuw twee theorieën op die beiden ook een beschrijving van het heelal gaven, hoewel op totaal verschillende schaal. De relativiteitstheorie van Einstein beschrijft het universum in het groot: melkwegstelsels, sterren en onszelf. Daarbinnen moet tijd worden opgevat als erg flexibel. Aanwezig maar ongrijpbaar. Daarnaast (tien jaar later naar buiten gebracht) de kwantummechanica, die het universum juist op erg kleine schaal, op atoomniveau, beschrijft. Bij deze laatste theorie (die erg lijkt op het oude idee van Newton) loopt tijd als het tikken van een klok door, volledig onafhankelijk van de wereld.

Momenteel wordt er hard aan gewerkt om beide theorieën te verbinden, omdat ze beiden van onschatbare waarde zijn binnen hun schaal. Het probleem zit echter vooral in de tijd. Daar wordt bij beide zo verschillend over gedacht dat toenadering onoverbrugbaar lijkt. Een licht aan de horizon kan daarom de Wheeler-DeWit vergelijking zijn. Wederom een beschrijving van het universum, maar ditmaal zonder het begrip tijd ook maar te noemen (oftewel: zonder het begrip tijd ook maar nodig te hebben om valide te bestaan). En zou ervan worden uitgegaan dat tijd niet bestaat, dan kunnen de relativiteits- en de kwantumtheorie worden gecombineerd (waar de snaartheorie ook al een poging toe heeft gewaagd) en hebben we een vrijwel geheel wetenschappelijk onderbouwd begrip van het universum.

Hoe moeten we dat idee van het ontbreken van tijd nu begrijpen? Iemand die hier een uitgesproken en gerespecteerde visie over heeft is Julian Barbour, een natuurkundige, die nader op het bestaan van tijd in gaat in zijn publicatie The End of Time (waar meer in dit artikel uit is ontleend).

Erg simpel gezegd komt het hierop neer. Volgens Barbour staat en valt de existentie van tijd met het bestaan van een ‘nu’; heel het heelal verstart in een momentopname. Een ogenblik. En omdat dat nu verstart is, verandert er niets, kan zodoende ook niet worden gezegd dat ‘tijd is verstreken’, is het eeuwigdurend, want er verandert niets, maar juist omdat niets verandert, is het ook in een flits voorbij.

En elk nu is anders dan de anderen. Zoals hij zelf als voorbeeld geeft; ons lichaam maakt elke seconde honderd miljoen miljoen miljoen hemoglobine-moleculen aan, waardoor zelfs wij zelf ook van seconde tot seconde anders zijn. Wanneer we nou twee nu’s nemen, bestaan die uit dezelfde ingrediënten (namelijk alle ingrediënten waaruit het heelal bestaat) maar zijn beide anders geconfigureerd (omdat elk nu verschilt van de ander). De gemiddelden tussen de verschillen bij deze nu’s zijn de veranderingen waaruit wij de tijd afleiden, zo zegt Barbour (tijd dus na de verandering, niet ervoor). Hoewel daarbij moet worden vermeld dat het woord 'tussen' misleidend kan zijn. Volgens Barbour zit er geen ruimte tussen nu's. Slechts andere nu's.

Het verstrekkende hiervan is, dat elk nu van zichzelf spreekt. Wanneer we elk nu zouden kunnen analyseren; de precieze configuratie daarvan zouden zien, hebben we het niet meer nodig om van tijd te spreken. Goed, er zijn veranderingen zichtbaar wanneer we nu’s vergelijken, maar er is geen tijd nodig om dat te duiden (terwijl tijd daarvoor bedoeld is): de nu’s presenteren zelf hun anders-zijn ten opzichte van andere nu’s. Het maakt daardoor niet meer uit of we nu’s door elkaar husselen of langs een rechte lijn (lineair) na elkaar in een bepaalde volgorde zetten. De nu’s zelf veranderen daardoor niet. Om die veranderingen te bemerken hoeven we geen aanspraak te doen op tijd, maar enkel de nu’s naast elkaar te leggen.

Hierdoor kunnen we de werkelijkheid samenvatten als een eeuwigdurende afwisseling van nu’s, die (aangezien ze allemaal uniek zijn) keer op keer anders zijn en daardoor ook niet lineair (zoals bijvoorbeeld Newton betoogde en Huygens, Leibniz en Mach bestreden).

Zoals Barbour zelf zegt: “Als de wereld tijdloos is, zoals ik denk en Wheeler-DeWitt impliceert, zijn er veel ogenblikken die afzonderlijk bestaan en net zo zijn als wat wij nu ervaren maar op verschillende manieren. Het universum dat ik voorstel is daarom een plek waar alles naast elkaar en tegelijk met elkaar bestaat. Je moet alles bezien wat logisch mogelijk is. Het beïnvloedt al het andere. Alles bepaalt de waarschijnlijkheid van alles. Niet alleen alles uit het verleden is er (slechts een andere configuratie, red.), en alles van wat wij ouderwets lineair de toekomst noemen, maar ook talloze andere mogelijkheden. Een eindeloos scala aan mogelijkheden, allemaal tegelijk.”.

Hoewel Barbour’s idee van grote waarde en een noviteit is, heb ik hier (in mijn bescheidenheid) toch minimaal een drietal aarzelingen bij. Allereerst zegt hij niet alleen dat we tijd afleiden uit veranderingen tussen nu’s, maar sterker: afleiden uit de gemiddelden tussen twee nu’s. Maar een gemiddelde kan mijns inziens alleen relevant zijn bij het lineaire. Als het universum niet lineair zou zijn, zouden we niets uit het gemiddelde kunnen afleiden. Een tweede aarzeling is dat Barbour dan wel betoogd dat nu’s bestaan zonder dat volgorde daartussen noodzakelijk is, maar dat raakt toch een soort van absolutisme, wat hij nu juist bestrijdt. Een derde punt is dat het lijkt alsof Barbour tijd uitvlakt omdat de nu’s geen volgorde nodig hebben voor hun eigen bestaan, voor hun eigen configuratie. Maar of iets iets anders nodig heeft, is nog geen argument waarom dat andere niet zou kunnen bestaan. Een appelboom heeft een lantaarnpaal 100.000 km verderop niet nodig om appelboom te zijn, maar dat sluit op zich het bestaan van die lantaarnpaal nog niet uit.

Afgezien van deze punten is Barbour’s idee herkenbaar. We zijn ons inmiddels al lange tijd bewust van het verschil tussen de werkelijkheid zelf en onze psychologische projectie daarop. Ook blijkt keer op keer hoezeer wij de werkelijkheid onder controle willen hebben, waarvoor kennis van die werkelijkheid nodig is. De uitvinding van tijd (waarvoor vooralsnog geen sluitende wetenschappelijke definitie is gegeven) kan worden gezien als een van die instrumenten om de werkelijkheid te begrijpen, voor ons logisch te maken. De mens houdt van volgorde, van structuur, van classificatie en hiërarchie; tijd leent zich om dat allemaal ten dienste te staan.

Gaan we ervan uit dat tijd niet bestaat, het slechts een verzinsel van ons is om greep te krijgen op veranderingen tussen nu’s, en leven we voortaan met enkel de nu’s, dan is dat wat zo schrikbarend is aan deze visie. Want dit betekent niet meer vooruitdenken of voorbereiden (de werkelijkheid is toch niet lineair) maar carpe diem in het groot: enkel stilstaan bij elk nu dat we nu beleven en hebben beleefd. Stel dat Barbour gelijk krijgt en dit idee van tijdloosheid algemeen wordt in de wereld, dan zou dat gaan betekenen dat alles en iedereen voortaan gaat leven bij nu's-op-zich. Een merkwaardige werkelijkheid die niet kan worden uitgesloten (getuige de mogelijke nu’s). Maar voordat dat zijn intrede doet kunnen we deze tijdloosheid al kennen in al zijn bijzonderheid.

vrijdag 3 juni 2011

Over de waarde van betekenis

1. De werkelijkheid bestaat uit een ongelooflijke hoeveelheid aspecten.

2. Ons kennen kan worden gezien als toegepaste begrenzingen van verzamelingen aspecten uit die werkelijkheid.

3. Zo kan het  begrip 'Ginsberg' worden gezien als de aspectenverzameling: mens, man, dichter, dichten, homoseksueel, Amerika, New York, joods, 1926, 1997, 1926-1997, Universiteit van Columbia, The Howl,
Peter Orlovsky, drugs, enzovoorts.

4. Aspecten die niet met Ginsberg in relatie kunnen worden gebracht vallen derhalve buiten de omgrenzing van dit begrip waardoor van Ginsberg kon worden gesproken.

5. In dit licht hebben we pas zekerheid over of wij daadwerkelijk begrip van de werkelijkheid hebben als we zeker weten dat we bij een begrip (waar de zekerheid betrekking op heeft) alle aspecten binnen zijn begrenzing hebben verzameld.

6. Omdat kennis (wereldwijd) continu vermeerderd, dat is: wij voor ons nieuwe aspecten uit de werkelijkheid ontdekken, betekent dit dat we niet kunnen uitsluiten dat in de toekomst aspecten worden ontdekt die onderdeel uitmaken van onze huidige aspectenverzamelingen, oftewel: betekenistoekenningen.

7. Daardoor kunnen we nooit met zekerheid weten of onze huidige begrenzingen correct zijn.

8. En blijft daardoor onze kennis altijd arbitrair.

9. Hoewel we hierdoor niet zeker kunnen weten, vermeerderd onze kennis wel; door hetzelfde fenomeen als de onzekerheid: nieuw ontdekte aspecten worden geïncorporeerd in (en vergroot daardoor) ons denken, zij het nooit tot dat punt waarop we toekomstige ontdekkingen kunnen uitsluiten.

10. Vanaf deze realisering ontstaat voor de mens de keuze hoe hij zich tot kennis, kennisverwerving en informatie (= bundelingen aspecten) wil verhouden. Bijvoorbeeld om kennis voortaan als waardeloos te
zien, door het ontbreken van de mogelijkheid van controle over de mate van correspondentie met de werkelijkheid. Of bijvoorbeeld in tegenstelling daartoe om waarde daaraan te (blijven) hechten.

11. In de kern is deze keuze een keuze tussen al dan niet de betekenis van waarde toe te kennen aan betekenissen.

12. In feite is dit een keuze tussen leven en dood, oftewel: de eigen aard volgend of daar tegen in gaan, in extreme: kiezen voor het leven of de dood. Zouden we namelijk ook onverschillig staan tegenover de
betekenistoekenning aan het leven (want waarom daar een uitzondering op maken?) dan zouden we met dezelfde eenvoud voor de dood kunnen kiezen.

13. Maar de (gezonde) mens wil leven. En wil daarom waarde hechten aan de betekenistoekenning aan dat leven.

14. Dit fenomeen is een bewijs voor de waardetoekenning aan betekenis.

15. Hierdoor, door het worden geconfronteerd met het bestaan van waardevolle betekenistoekenningen en de mogelijkheid van (in onzer ogen) waardeloze, worden we gesteld voor het vraagstuk welke
andere betekenistoekenningen al dan niet waardevol zijn en start vanaf dat moment waarheidsvinding.

16. Dit wetende doet de vervolgvraag rijzen, afgezien van de positieve houding naar betekenissen en dus kennis, welk gedrag (oftewel actie) ten opzichte van betekenis en kennis het meest aanbevelenswaardig is.

17. Hierbij zijn wij sowieso teruggeworpen op onze menselijke eigenschappen, zich uitend in bijvoorbeeld capaciteiten, behoeften, neigingen en logica.

18. Deze laatste, de logica, waarmee wij ook moeten werken, vertelt ons inzake de waarde van betekenissen bijvoorbeeld dat betekenissen die meer aspecten in zich dragen de voorkeur verdienen boven betekenissen (met betrekking tot hetzelfde onderwerp) bestaande uit een kleinere aspectenverzameling, net als dat deze vertelt dat betekenissen nooit met zekerheid corresponderen met de werkelijkheid.

19. Dit alles tezamen betekent dat we in onzekerheid leven over ons begrip, we ondanks dat toch waarde toekennen aan dat begrip en we, wanneer we een oordeel moeten vormen over iets, dat begrip van de
grootste kwaliteit vinden getuigen, dat de meeste aspecten die daarop betrekking hebben in zich draagt.

20. Bij deze kwaliteitsstandaard nemende de vaststelling dat we waarde hechten aan betekenistoekenningen, maakt dat we gedwongen worden om binnen de menselijke intellectuele gebrekkigheid, die betekenissen aan te nemen als meest sluitend, die getuigen van de grootst mogelijke aspectenverzameling waaruit gekozen kan worden binnen een specifiek onderwerp.

21. Dit weer, maakt dat onze opdracht met betrekking tot omgang met betekenis, -verwerving en informatie luidt, dat we gericht moeten zijn op kennisvermeerdering, betekenissen moeten beoordelen op voorgenoemde kwaliteitseis, en inherent aan het streven naar kennisvermeerdering, tot doel moeten hebben om direct ons oordeel over ons begrip bij te stellen zodra we een nieuw aspect hebben ontdekt die, ten onrechte, tot op heden geen onderdeel uitmaakte van een van onze betreffende verzamelingen.

22. Dit wetende roept voor ons de dienende plicht op om in gezamenlijke zoektochten naar ware kennis elkaar te wijzen op ontbrekende aspecten in elkaars verzamelingen, om zo bij te dragen aan vergroting
van ieders kennis en daardoor van het menselijke in totaliteit.

23. Dat kan op de meest prettige, eerzame, comfortabele en verstandige wijze, door bij de interactie de liefde centraal te stellen.