Velen zullen bekend zijn met Nietzsche's idee van de eeuwige wederkeer; that it's all just a little bit of history repeating, om kortzichtig de Propellorheads aan te halen. De geschiedenis herhaalt zichzelf, of zoals Nietzsche zegt: de zandloper des tijds wordt steeds weer opnieuw omgedraaid en korreltje voor korreltje beleef je alles steeds weer opnieuw. Benaderen we dit niet persoonlijk (zoals Nietzsche het waarschijnlijk heeft bedoeld) maar betrekken we dit bij wijze van gedachte-experiment op de geschiedenis van de mensheid dan kunnen we inderdaad zien dat zaken terugkeren; oorlogen en liefdesgeschiedenissen ontstaan in elk tijdperk, machthebbers volgen elkaar constant op, er ontstaat steeds opnieuw leven hand in hand met sterfte. Enzovoorts.
Maar tegelijkertijd zien we schijnbaar paradoxaal ook dat alles uniek is. Elke oorlog is uniek, geen liefde is exact gelijk, om bij voorgaande voorbeelden te blijven, maar ook zijn er fenomenen die maar eens voorkomen en niet wederkeren. Zo bestond Napoleon maar een keer. Was er voor mij maar een eerste kus en zal Houellebecq 100 jaar na zijn dood niet zelf opnieuw zijn boek Platform uitbrengen. Sterker nog; kijken we naar stromingen in de geschiedenis, dan lijkt het zelfs aannemelijk dat altijd alles continu verandert, alles dynamisch is, want altijd in beweging zijnde. Dat elke tijdgeest een tegenreactie oproept die niet het tegenovergestelde is van het voorgaande, maar tegenovergesteld met daarin het voorgaande opgenomen; een stap zigzaggend (al dan niet vooruitlopend) in plaats van recht vooruit. Daarvoor kunnen we de boeken erop naslaan. In de kunst kwam na het modernisme de hedendaagse kunst, daarna het post-modernisme waarna de 20e en 21e eeuw; en niet vervolgens weer het modernisme. Volgen in de tijdslijn van de filosofie klassieke oudheid, middeleeuwen en de nieuwe tijd elkaar op zonder dat daar de klassieke oudheid weer op volgt en is het in de klassieke muziek Bach - Haydn - Mozart, niet Bach - Haydn - Bach - Haydn - Bach.
Er dient, kortom, onderscheid te worden gemaakt tussen het gelijk-blijvende en het veranderlijke; dient met beide rekening te worden gehouden omdat beiden bestaan. Daarbij zou ik onder het gelijk-blijvende dat-wat-transcendeert-boven-tijd willen scharen, en het veranderlijke aan dat-wat-onderhevig-is-aan-tijd. Vervolgens kan worden gekeken naar dat wat inherent en dat wat transcenderend is ten opzichte van tijd. Dat wat transcendeert zouden we kunnen noemen alles wat natuurlijk is, dat wat onderhevig is aan tijd het onnatuurlijke. Anders gezegd; het onafhankelijke van tijd de gegeven natuur, het afhankelijke wat voortkomt uit de natuur; de creaties van de natuur.
Dus oorlog an sich als besloten in de mens en het dier, de vorm die een individuele oorlog aanneemt als typerend voor de geestelijke en materiele creaties van die tijd. Mijn eerste zoen als creatie; het geven van een zoen een beslotenheid in de mens. In die zin Nietzsche dat een organisme in zijn leven de fenomenen kenmerkend voor zijn soort ervaart; elk individu opnieuw, waardoor sprake is van herhaling, in die zin geen eeuwige wederkeer dat dat wat wordt gecreëerd eenmalig gebeurt en een kopie in de toekomst een variatie kan worden genoemd; nooit een op een datzelfde.
En dat brengt ons op een schrikbarend en geruststellend iets. Wanneer wij onszelf hierin gaan betrekken betekent dit dat onze natuur; onze begeerten, onze neigingen, enzovoorts zullen blijven en onze intellectuele vaststellingen in de toekomst op losse schroeven zullen komen te staan. Schrikbarend wanneer we op dit moment tevreden zijn over onze intellectuele vaststellingen en ontevreden over onze natuur. Geruststellend wanneer we ontevreden zijn over onze theses en tevreden over ons zijn.
Kunnen we bovenstaande vaststellen, dan kunnen we vaststellen wat in de toekomst zal worden bijgesteld. Kunnen we het gedachte-experiment aangaan over welke vaststellingen van ons men over 200 jaar hoofdschuddend zal terugkijken. En dat terwijl we in onze neiging tot zekerheid en verwijdering van de angst juist prat willen gaan op ons intellect; aangezien wij ons daarvoor op de borst mogen slaan; de natuur is immers gegeven.
Ter afsluiting een aantal voorbeelden van wat mensen in de toekomst meewarig als onze tand des tijds zullen zien en dan minimaal miniem zullen zijn gecorrigeerd: (al dan niet parlementaire) democratie, gelijkheid, vrijheid van meningsuiting, wrijving tussen Islam en het Westen en bijvoorbeeld evolutietheorie als mainstream gedachte in de wetenschap.
In de hoop dat u niet al te zeer deze gedachten omklemt verblijf ik.
maandag 21 maart 2011
woensdag 16 maart 2011
De existentie van het geweten
Recent is het angstbeeld binnen de psychologie ontstaan dat de positie van de neurologie steeds sterker wordt, en synchroon daaraan de populariteit van de psychologie daalt. Publiekelijk voorbeeld van deze versterking is de onlangs uitgegeven publicatie van Dick Swaab; Wij zijn ons brein. Een andere is een onderzoek dat onlangs werd uitgebracht, waarin werd geconstateerd dat de plaats van het geweten in de hersenen is gelokaliseerd vanuit de logica dat er kinderen zijn geconstateerd zonder geweten, waarbij dat deel van de hersenen anders was als die die wel over geweten beschikken.
Omdat dit laatste; het hebben gevonden van de lokatie van het geweten, een stevig antwoord lijkt te impliceren op vragen als: Bestaat het geweten? Wat is het geweten? Waar kunnen we deze vinden? en bijvoorbeeld uitspraak doet in 'de zaak' nature versus nurture, zal ik in deze blog daarop ingaan; en wel vanuit de oppositie; want diverse hiaten kunnen worden genoemd.
Allereerst een logische constatering. Wanneer de lokatie van het geweten is gevonden, dan moet in ieder geval duidelijk zijn wat het geweten dan wel is. De stem van het goede? De drang tot zelfkritiek? Rechtvaardigheidsbesef? Het probleem dat opduikt is dat eerst helder moet zijn wat de definitie is wil kunnen worden gezegd dat dat wat gedefinieerd is ergens kan worden gevonden. In die zin een probleem, omdat een eenduidige definitie niet zal kunnen worden gevonden in het rijk dat wordt bewoond door psychologen/neurologen/ethici/filosofen/enz. Willen we dus de lokatie kunnen bepalen van het geweten, dan moeten we eerst collectief weten wat dat geweten dan wel is. Iets niet bestaands zal niet kunnen worden gevonden.
Een tweede probleem dat opdoemt is hoe de switch kan worden gemaakt van een begrip naar iets materieels. Uitgaande van de genoemde stellingname moeten we concluderen dat het begrip zelf ook materiaal is, maar hoe kan dat bij een begrip? Goed, we kunnen zeggen dat dit slechts een taalkwestie is; het woord geweten representeert een materieel mechanisme, zo zouden we kunnen zeggen. Maar dan zou dat expliciet moeten worden gemaakt. Waardoor we het voorgaande probleem van de definitie weer raken. Maar houden we het bij de stelling dat het geweten in het brein kan worden teruggevonden, dan moeten we concluderen dat die per definitie materieel is.
Los van dat vraagstuk merk ik dat ik de drang heb om het geweten een broer te laten zijn van begrippen als de ziel. Ook rond de ziel bestaat bij velen de merkwaardige drang om deze als locatie te zien, in plaats van een symbolisch begrip dat veel zaken omsluit; een proces, een mechanisme, tijd, enzovoorts. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat we in een tijd van globalisatie identiteit vaststellen naar aanleiding van locatie, zoals Sloterdijk ook noemt in zijn Sferen-trilogie.
En hierdoor kom ik op de neiging van de neurologie om reductionistisch, want terugredenerend naar enkel materialisme (en wanneer materialisme, dan ook locatie), te zijn. Wanneer al ons denken, gedrag en gevoel kan worden teruggevoerd op neurologische bewegingen (waar de neurologie haar zinnen op zet), en deze bewegingen stoffelijk, dus materieel, zijn dan moet alles van de mens verklaarbaar zijn vanuit materie. Maar zodra gesproken wordt over materie, dan impliceert dat een bepaalde begrenzing, afbakening, waar buiten iets anders moet bestaan, omdat het anders niet afgebakend zou hoeven worden. Wit impliceert zwart om in het licht van Kierkegaard te spreken, goed impliceert kwaad en materialisme immaterialisme. Het feit dat gelooft wordt in materialisme bewijst het bestaan van immaterialisme. En moeten we dit bevestigen, dan is vervolgens de vraag wat we dan onderbrengen onder materieel en immaterieel. Wie is de scheidsrechter? Wie bepaalt?
Het punt dat ik in dit bericht wil maken is dat het vinden van een locatie in het brein waar door prikkeling of verlaging of verhoging van activatie een reactie door wordt bewerkstelligd in denken, doen en gedrag, niet dwingt tot de vaststelling dat het geweten op die en die plaats zich bevindt. Sterker, tot een eenduidige definitie hiervan is gevonden bestaat voor mij hét geweten niet. Het geweten is een symbolisch begrip voor het geheel aan kennis wat goed en kwaad is, zo wil ik een voorzet doen. En wat goed en kwaad is, als gegrond in wat straf en beloning oplevert. Op basis van die uitkomsten kan dan al of niet worden beslist zus of zo te handelen, of dit of dat van zichzelf of de ander te vinden. Uitgaande van die defnitie, of welke andere definitie ook die grenst aan dat het geweten gerelateerd is aan opvattingen over goed en kwaad, is het brein slechts een potentie voor bepaald denken en gedrag, altijd afgezien van de psychopathologie. Is bij geboorte de potentie aanwezig om te leren van goed en kwaad is en hoe daarop als mens moet worden geanticipeerd; en is het de sturing door ouders, omgeving, enz. die deze opvattingen van goed en kwaad en de anticipatie daarop een bepaalde richting uitsturen.
Gaan we met het geweten om als een symbolisch begrip; dan vrijwaren wij ons ervan om het onmogelijke te zeggen, namelijk dat gedachten, overdenkingen, visies, enz. materieel zijn. De materiele hersenen kunnen echter alleen de basis vormen voor bepaalde geestelijke creaties, zoals gedachten. Ook vrijwaren wij ons ervan om reductionistisch te worden. De idee dat naar een begrip meerdere relaties kunnen worden gelegd, toont aan dat het er niet een enkele is.
Bij kinderen waar vanaf de geboorte wordt geconstateerd dat het geweten niet bestaat omdat deze niet in de hersenen wordt gevonden, kan vanuit dit perspectief worden verklaard als dat de potentie ontbreekt om een seconde na geboorte aanwezig te zijn; want door vorming (de klap van de arts om het huilen op gang te helpen om maar een vroege ervaring te noemen). Zeggen we dat het geweten een begrip van goed en kwaad veronderstelt op basis waarvan kan worden gehandeld, dan is dat geweten in potentie aanwezig omdat dit begrip zich kan ontwikkelen (en de basis daarom al aanwezig moet zijn).
Maar begrip van goed en kwaad zelf had mijn dochtertje niet, toen ze, 1 maand oud, in haar wiegje lag te huilen of te lachen. Gaandeweg het leven (een knipoog naar Rousseau) zullen ouders en andere beïnvloeders de kinderen leiden naar een gewetensvol leven. Maar dit gebeurt met vallen en opstaan en vooral veel geduld door 20x achter elkaar 'Mag niet' of 'Mag wel' te zeggen waarna het kind het nog niet hoeft te begrijpen. Op een gegeven ogenblik doet zich voor dat het kind begrijpt dat het niet op die cd mag bijten en wel dat koekje mag aanpakken, maar enkel wanneer het wordt aangeboden. Die daden zijn kwesties van maanden geduldig oefenen, leren herkennen van het koekje en de cd, leren herkennen van toonhoogtes van de stem, etc. Het geweten wordt aangeleerd, actief of passief, maar er moet een begin zijn in de hersenen. En dat begin zou eerder kunnen worden gezien als een nog primitief cognitief leersysteem. Vervolgens is het aan de mensen uit de omgeving, de ervaring en het kind zelf, om dit leersysteem aan het draaien te krijgen, te blijven oliën en erop toezien dat de resultaten conform de eigen opvattingen zijn. Afwijking hiervan is de realisatie van onprettigheid, en noopt (al naar gelang de mens) tot correctie of vrijlating onder het mom van een andere visie van het eigen geweten.
Deze indoctrinatie, want moedwillig opgelegd onafhankelijk van of het kind daarmee kan instemmen, is een noodzakelijk iets, want menselijk. Enkel door dit proces van trial and error te ondergaan komen we verder met ons begrip van goed en kwaad. En groeit het kind zo op dat het zelf straks vader of moeder wordt en met anderen het eigen kind evenzo helpt het leersysteem te laten draaien, oliën en erop toezien dat de resultaten conform de eigen opvattingen zijn.
Geen tegenstelling dus tussen materialisme en immaterialisme; want beide (het immateriele verwijst naar een van de delen die materieel is), ook geen tegenstelling tussen nature of nurture; want beide (de potentie is nature, de vorming nurture). Vandaar dat we kunnen zeggen: daar, daar in de hersenen zit de potentie. Maar dat is heel wat anders, en vele malen complexer, dan te zeggen; kijk, daar in de hersenen zit het geweten of daar, dat plekje in het hart: dat is de ziel. Maar ook: kijk, daar zit hem sowieso nog de crux: we weten nog steeds niet waar we het over hebben. Wat is het geweten nu uiteindelijk?
Omdat dit laatste; het hebben gevonden van de lokatie van het geweten, een stevig antwoord lijkt te impliceren op vragen als: Bestaat het geweten? Wat is het geweten? Waar kunnen we deze vinden? en bijvoorbeeld uitspraak doet in 'de zaak' nature versus nurture, zal ik in deze blog daarop ingaan; en wel vanuit de oppositie; want diverse hiaten kunnen worden genoemd.
Allereerst een logische constatering. Wanneer de lokatie van het geweten is gevonden, dan moet in ieder geval duidelijk zijn wat het geweten dan wel is. De stem van het goede? De drang tot zelfkritiek? Rechtvaardigheidsbesef? Het probleem dat opduikt is dat eerst helder moet zijn wat de definitie is wil kunnen worden gezegd dat dat wat gedefinieerd is ergens kan worden gevonden. In die zin een probleem, omdat een eenduidige definitie niet zal kunnen worden gevonden in het rijk dat wordt bewoond door psychologen/neurologen/ethici/filosofen/enz. Willen we dus de lokatie kunnen bepalen van het geweten, dan moeten we eerst collectief weten wat dat geweten dan wel is. Iets niet bestaands zal niet kunnen worden gevonden.
Een tweede probleem dat opdoemt is hoe de switch kan worden gemaakt van een begrip naar iets materieels. Uitgaande van de genoemde stellingname moeten we concluderen dat het begrip zelf ook materiaal is, maar hoe kan dat bij een begrip? Goed, we kunnen zeggen dat dit slechts een taalkwestie is; het woord geweten representeert een materieel mechanisme, zo zouden we kunnen zeggen. Maar dan zou dat expliciet moeten worden gemaakt. Waardoor we het voorgaande probleem van de definitie weer raken. Maar houden we het bij de stelling dat het geweten in het brein kan worden teruggevonden, dan moeten we concluderen dat die per definitie materieel is.
Los van dat vraagstuk merk ik dat ik de drang heb om het geweten een broer te laten zijn van begrippen als de ziel. Ook rond de ziel bestaat bij velen de merkwaardige drang om deze als locatie te zien, in plaats van een symbolisch begrip dat veel zaken omsluit; een proces, een mechanisme, tijd, enzovoorts. Een mogelijke verklaring hiervoor is dat we in een tijd van globalisatie identiteit vaststellen naar aanleiding van locatie, zoals Sloterdijk ook noemt in zijn Sferen-trilogie.
En hierdoor kom ik op de neiging van de neurologie om reductionistisch, want terugredenerend naar enkel materialisme (en wanneer materialisme, dan ook locatie), te zijn. Wanneer al ons denken, gedrag en gevoel kan worden teruggevoerd op neurologische bewegingen (waar de neurologie haar zinnen op zet), en deze bewegingen stoffelijk, dus materieel, zijn dan moet alles van de mens verklaarbaar zijn vanuit materie. Maar zodra gesproken wordt over materie, dan impliceert dat een bepaalde begrenzing, afbakening, waar buiten iets anders moet bestaan, omdat het anders niet afgebakend zou hoeven worden. Wit impliceert zwart om in het licht van Kierkegaard te spreken, goed impliceert kwaad en materialisme immaterialisme. Het feit dat gelooft wordt in materialisme bewijst het bestaan van immaterialisme. En moeten we dit bevestigen, dan is vervolgens de vraag wat we dan onderbrengen onder materieel en immaterieel. Wie is de scheidsrechter? Wie bepaalt?
Het punt dat ik in dit bericht wil maken is dat het vinden van een locatie in het brein waar door prikkeling of verlaging of verhoging van activatie een reactie door wordt bewerkstelligd in denken, doen en gedrag, niet dwingt tot de vaststelling dat het geweten op die en die plaats zich bevindt. Sterker, tot een eenduidige definitie hiervan is gevonden bestaat voor mij hét geweten niet. Het geweten is een symbolisch begrip voor het geheel aan kennis wat goed en kwaad is, zo wil ik een voorzet doen. En wat goed en kwaad is, als gegrond in wat straf en beloning oplevert. Op basis van die uitkomsten kan dan al of niet worden beslist zus of zo te handelen, of dit of dat van zichzelf of de ander te vinden. Uitgaande van die defnitie, of welke andere definitie ook die grenst aan dat het geweten gerelateerd is aan opvattingen over goed en kwaad, is het brein slechts een potentie voor bepaald denken en gedrag, altijd afgezien van de psychopathologie. Is bij geboorte de potentie aanwezig om te leren van goed en kwaad is en hoe daarop als mens moet worden geanticipeerd; en is het de sturing door ouders, omgeving, enz. die deze opvattingen van goed en kwaad en de anticipatie daarop een bepaalde richting uitsturen.
Gaan we met het geweten om als een symbolisch begrip; dan vrijwaren wij ons ervan om het onmogelijke te zeggen, namelijk dat gedachten, overdenkingen, visies, enz. materieel zijn. De materiele hersenen kunnen echter alleen de basis vormen voor bepaalde geestelijke creaties, zoals gedachten. Ook vrijwaren wij ons ervan om reductionistisch te worden. De idee dat naar een begrip meerdere relaties kunnen worden gelegd, toont aan dat het er niet een enkele is.
Bij kinderen waar vanaf de geboorte wordt geconstateerd dat het geweten niet bestaat omdat deze niet in de hersenen wordt gevonden, kan vanuit dit perspectief worden verklaard als dat de potentie ontbreekt om een seconde na geboorte aanwezig te zijn; want door vorming (de klap van de arts om het huilen op gang te helpen om maar een vroege ervaring te noemen). Zeggen we dat het geweten een begrip van goed en kwaad veronderstelt op basis waarvan kan worden gehandeld, dan is dat geweten in potentie aanwezig omdat dit begrip zich kan ontwikkelen (en de basis daarom al aanwezig moet zijn).
Maar begrip van goed en kwaad zelf had mijn dochtertje niet, toen ze, 1 maand oud, in haar wiegje lag te huilen of te lachen. Gaandeweg het leven (een knipoog naar Rousseau) zullen ouders en andere beïnvloeders de kinderen leiden naar een gewetensvol leven. Maar dit gebeurt met vallen en opstaan en vooral veel geduld door 20x achter elkaar 'Mag niet' of 'Mag wel' te zeggen waarna het kind het nog niet hoeft te begrijpen. Op een gegeven ogenblik doet zich voor dat het kind begrijpt dat het niet op die cd mag bijten en wel dat koekje mag aanpakken, maar enkel wanneer het wordt aangeboden. Die daden zijn kwesties van maanden geduldig oefenen, leren herkennen van het koekje en de cd, leren herkennen van toonhoogtes van de stem, etc. Het geweten wordt aangeleerd, actief of passief, maar er moet een begin zijn in de hersenen. En dat begin zou eerder kunnen worden gezien als een nog primitief cognitief leersysteem. Vervolgens is het aan de mensen uit de omgeving, de ervaring en het kind zelf, om dit leersysteem aan het draaien te krijgen, te blijven oliën en erop toezien dat de resultaten conform de eigen opvattingen zijn. Afwijking hiervan is de realisatie van onprettigheid, en noopt (al naar gelang de mens) tot correctie of vrijlating onder het mom van een andere visie van het eigen geweten.
Deze indoctrinatie, want moedwillig opgelegd onafhankelijk van of het kind daarmee kan instemmen, is een noodzakelijk iets, want menselijk. Enkel door dit proces van trial and error te ondergaan komen we verder met ons begrip van goed en kwaad. En groeit het kind zo op dat het zelf straks vader of moeder wordt en met anderen het eigen kind evenzo helpt het leersysteem te laten draaien, oliën en erop toezien dat de resultaten conform de eigen opvattingen zijn.
Geen tegenstelling dus tussen materialisme en immaterialisme; want beide (het immateriele verwijst naar een van de delen die materieel is), ook geen tegenstelling tussen nature of nurture; want beide (de potentie is nature, de vorming nurture). Vandaar dat we kunnen zeggen: daar, daar in de hersenen zit de potentie. Maar dat is heel wat anders, en vele malen complexer, dan te zeggen; kijk, daar in de hersenen zit het geweten of daar, dat plekje in het hart: dat is de ziel. Maar ook: kijk, daar zit hem sowieso nog de crux: we weten nog steeds niet waar we het over hebben. Wat is het geweten nu uiteindelijk?
Abonneren op:
Posts (Atom)