vrijdag 27 september 2013

Het belang van de kunsten als gevaar voor haar belang

De discussie over het belang van kunst is iets dat bestaat zolang de kunst zelf bestaat (zowel binnen kunstkringen als daarbuiten). Toch kan worden verdedigd dat de huidige discussie binnen de samenleving en politiek heviger is dan vele perioden hiervoor. En de motivatie hiervoor is begrijpelijk. In deze tijd van financiële crisis moet omwille van het overheidsbudget scheiding in prioriteit worden gemaakt waar de overheid haar geld in investeert. Pijnlijk voor sommige segmenten, maar helder wordt hierdoor ook wat in maatschappij en politiek als van belang wordt gezien. Daarbij blijken de kunsten voor de meerderheid van de bevolking niet van het grootste belang; reden waarom er daar veel wordt bezuinigd en wordt aangestuurd op zelfredzaamheid: zoals door stimulatie van crowdfunding en het toewerken naar een verzakelijking en commercialisering vanuit de kunsten zelf. Het idee hierachter is dat de sterken zullen blijven bestaan en het niet te tragisch is dat de zwakkeren het onderspit zullen delven; want wat heb je aan kitsch? De crisis noopt de burger om stelling te nemen ten opzichte van budgetten die naar de verschillende ministeries gaan, want de geldstromen zijn door deze crisistijd bij hen meer dan ooit voelbaar in hun portemonnee. De kunstwereld daarentegen is in een positie dat ze haar eigen belang moeten kunnen verwoorden: wat is het aan haar dat ze een budget van de overheid waard is? En hierin zit de pijnlijkheid: dat verwoorden kan de kunstwereld niet. Dit komt niet omdat ze niet capabel is om te communiceren, maar omdat dat niet kunnen verwoorden eigen is aan de kunsten.

In eerste instantie kan uiteraard veel worden ingebracht om het belang van de kunsten aan te tonen. Kunst levert bijvoorbeeld een belangrijke bijdrage aan de cultuur, en cultuur bepaalt onze samenleving voor een groot deel: hoe we tegen schoonheid aankijken, wat onze normen en waarden zijn, et cetera. En niet in het minste kan worden aangedragen dat de kunsten belangrijk zijn om de kunsten zelf; het product en het proces dat hieraan vooraf is gegaan (en hier mogelijk uit volgt) als deel van het kunstwerk.

Ondanks deze, ogenschijnlijk onbetwijfelbare, argumenten heeft de overheid (en hieruit voortvloeiend: de burger) echter nog steeds geen handvat om te bepalen of haar geld daaraan welbesteed is. Want met inbegrip van deze punten kan zij nog steeds scheiding aanbrengen binnen de kunsten: zij die hier een belangrijker bijdrage aan leveren dan andere (sommige zelfs geen). Er dient met andere woorden een bepaling te worden gedaan wat kunst en geen kunst is, om daarmee te bepalen wie het zijn die in de kunstwereld die bijdrage daadwerkelijk leveren aan cultuur, samenleving en de kunsten zelf. Hierdoor wordt helder dat bij de discussie over de toegevoegde waarde niet alleen moet worden beargumenteerd ‘wat kunst doet’ (bijdrage leveren aan cultuur, enzovoorts), maar ook ‘wie kunst maakt’. En in beide gevallen is het nodig te weten wat kunst nu eigenlijk is: wat is binnen deze professie kunst en hieruit voortvloeiend: wie maakt dat? Simpel gezegd: goed, ik ben overtuigd dat de kunsten subsidiewaardig zijn, maar waar kan het geld dan naartoe?

En hier stuiten we op het probleem. De kunsten kunnen zelf niet vertellen wat ‘kunst’ is. Er kan worden gesproken over kwaliteit, over bijdragen van kunstenaars aan stromingen, aan uniciteit van creaties, aan noviteiten. Maar over welk onderwerp ook gesproken wordt, uiteindelijk blijft de mogelijkheid dat zowel binnen als buiten de kunstwereld over al deze zaken verschillend kan worden gedacht: een definitie van kunst (als basis) niet gegeven wordt.

Dit is ook niet meer dan terecht. Een definitie van kunst vált niet te geven. De reden is dat de kunsten bij uitstek individualistisch zijn. Een kunstenaar kan alleen tot bloei, tot uiting, komen wanneer hij geheel de ruimte krijgt, niet door een ander wordt begrensd in denken en het creëren van kunst en daarnaast zoveel mogelijk bij zichzelf blijft. Een proces dat gedurende het hele leven van de kunstenaar voortduurt omdat het in feite een zoektocht naar het zelf is: wat onuitputtelijk is. Omdat de kunstenaar authentiek moet zijn, geen concessies moet of kan doen aan de buitenwereld, ‘trouw moet zijn aan zichzelf’ en hen die dit dwarsbomen zoveel mogelijk moet zien te weren, maakt dat er in de kunsten noodzakelijk zoveel meningen als mensen zijn over het eigene van de kunst. Aangezien iedereen een uniek perspectief naar de werkelijkheid en dus ook naar de kunsten heeft. Iets dat tot uiting komt op het moment dat in debat wordt gegaan over kwaliteit en uiteindelijk: het zijn van de kunsten zelf.

Met dit unieke ontwaren we iets verbazingwekkends: dit wezenlijke aspect van de kunst (dat hoe dan ook van invloed is op de definitie van kunst) toont aan dat die definitie niet valt te formuleren. We kijken naar het object ‘kunst’, stellen vast dat die ongrijpbaar is, maar zien wel een fragment van dat object dat ons vertelt dat het ongrijpbaar is, dus in wezen ook het aspect van het authentieke. Het authentieke vertelt ons, met andere woorden, dat ook het authentieke voor ons ongrijpbaar, niet te formuleren valt. Het totaal is niet te bevatten omdat een deel van dat totaal ons dat vertelt, waardoor (wanneer wij dat deel bevatten) dat deel vervolgens niet meer te bevatten is. Iets dat in die hoedanigheid alleen bij de kunsten voorkomt.

Het eigene van de kunsten is schitterend om wat ze door haar eigenheid bewerkstelligen, maar een problematisch gegeven voor het aantonen van haar belangen. Het authentieke binnen de kunsten is nodig voor haar existentie, maar daardoor niet te veralgemeniseren, tastbaar te maken in een algemeen gedragen definitie, ook (zo zagen we) het authentieke zelf niet. Omdat een definitie van kunst gedwongen moet uitblijven, kan daardoor ook niet eenduidig worden aangetoond wat wel en niet kunst is (wat meer en minder kwaliteit is), wat ‘zij’ bewerkstelligd (want wie is ‘zij’?), wat haar nut is en wat dus al dan niet subsidie verdient.  

De kunsten vechten in het debat voor hun belang, voor de importantie van het hebben van een belangrijke plaats in de maatschappij, maar juist door wie ze zijn kan hun belang niet worden verwoord. Met andere woorden; zouden de kunsten wezenlijk kunnen aantonen waarin hun belang schuilt, dan zouden het a priori niet meer de kunsten kunnen zijn die dat vertellen. Het is voor de kunsten nodig dat hun belang niet kan worden gecommuniceerd, terwijl dat belang ervoor zorgt dat hun belang niet zichtbaar kan worden zodat geldstromen vanuit de overheid kunnen worden gerealiseerd. Het is dus de existentie van de kunsten die haar noodzakelijk in levensgevaar brengt. Maar zou zij omwille van dat gevaar veranderen, dan zou zij niet meer deze kunsten zijn en zou deze verandering niet van nut zijn voor de huidige kunsten. Als de kunsten verloren gaan vanwege het uitblijven van financiële middelen, dan gaan de kunsten verloren door wie ze is.

vrijdag 13 september 2013

Subjectiviteit en objectiviteit


Objectiviteit gaat al lange tijd gebukt onder felle kritiek; vooral binnen het postmodernisme. In het huidige tijdsgewricht lijkt dat tot een climax te komen; in een cultuur van individualisme draait het om de mens zelf, is het het individu dat zijn werkelijkheid moet vormgeven en kan ‘de’ werkelijkheid niet langer meer bestaan, het is in the eye of the beholder.

Het op een voetstuk plaatsen van het subjectieve in de huidige tijd heeft onder andere tot gevolg dat geen plaats meer is voor het objectieve. Want als het objectieve stadium niet kan worden behaald, zo is de gedachte, waarom daar dan nog naar streven? Kan niet beter aandacht uitgaan naar dat wat wel gerealiseerd kan worden? Wat voor mij persoonlijk als concreet waardevol wordt ervaren?

Naast deze afweging vloeit uit het individualisme voort dat een rivaliteit ontstaat tussen individuen, in de persoonssfeer, maar ook in het werkveld. Wanneer geen gemeenschappelijk gedragen kennis bestaat, is het aan het individu zelf om dit voor hem of haar vast te stellen en treden problemen op wanneer moet worden samengewerkt. Tijdens de samenwerking moet namelijk noodzakelijk worden uitgegaan van gemeenschappelijke vertrekpunten en doelen, en om daartoe te komen moeten de diverse perspectieven van betrokken individuen worden vergeleken en samen worden bepaald wat gezamenlijk wordt en individueel blijft. En aangezien ieder is teruggeworpen op het eigen perspectief, dat het fundament van zekerheid vormt, zal een ieder daaraan vast willen houden en zal, hoe mondiger en sterker het individu is, het eigen perspectief in het gemeenschappelijke worden geclaimd.

Wat voor het individu uiteindelijk in het geding is, is of de energie die gestoken zou kunnen worden in het verkrijgen en overdragen van objectieve kennis opweegt tegen dat uiteindelijke kennis over dat waarop wordt geconcentreerd, niet te verkrijgen is. Of anders; of het nuttiger is iets na te streven wat uiteindelijk niet te verkrijgen is of het lonender dat op een nooit eindigende weg kennis wordt vermeerderd, als daarover al gesproken kan worden. Wat met het punt van de vermeerdering namelijk opdoemt is dat het problematisch is om vast te stellen hoeveel kennis eigenlijk wordt opgedaan wanneer er geen eindpunt is. Wanneer het eindpunt ontbreekt, is er geen schaal meer te maken tussen begin en einde, en kan dus ook niet worden gezegd op welk punt binnen die schaal iemands kennis zich bevindt. Geconcludeerd moet dan ook worden dat de mate van vermeerdering van kennis niet valt vast te stellen binnen de denkwijze van het lonend zijn van vermeerdering van kennis ondanks dat de eindstreep niet kan worden gehaald, maar dat op basis van logica objectief kan worden vastgesteld dat vermeerdering wel plaatsvindt, zij het in een onbekende gradatie.

De denkwijze van de voorstanders van objectivisme; waarin de weg belangrijker is dan het doel, mag dan wel als antwoord opleveren dat kennis wordt vermeerderd, maar is er ook sprake van objectieve kennis? Objectiviteit impliceert dat iets pas een feit is wanneer deze is vastgesteld onafhankelijk de mening van mensen; er geen interpretatie bij is komen kijken, terwijl subjectiviteit een persoonlijk oordeel of zienswijze veronderstelt van het individu. Over de mogelijkheid, zij het gradueel, van het verkrijgen van objectieve kennis valt geen twijfel; er kan niet zoiets bestaan als objectieve kennis. Er is geen kennis die niet is verwoord door een individu, en verwoorden is al het verklanken, het vertalen en dus vervormen van kennis. Objectieve kennis bestaat in dat licht niet. Maar het merkwaardige is dat we ook de vraag kunnen stellen hoe werkbaar en nuttig subjectieve kennis voor ons is. Wij vervormen ook subjectieve kennis onbewust en gedreven door onze natuur, onafhankelijk onze wensen, terwijl het idee vaak naar voren komt dat subjectieve kennis kennis is die we hebben vervormd naar hoe het voor ons prettig is, gevormd naar ons eigen perspectief. Terwijl we onszelf meer dan minder voor de gek houden met onze gedachten, uitgangspunten en logische fundamenten. We hebben dus een tweedeling tussen vermeende objectieve kennis en vermeende subjectieve kennis, in de zin dat subjectieve kennis niet de naar ons eigen perspectief gevormde kennis is maar in wezen enkel vervormde kennis door ons mens-zijn betekent; en daarin niet anders is dan de objectieve. Subjectieve kennis wordt heden gezien als kennis opgedaan door het individu, maar dit geeft een complexere conclusie, namelijk dat in die zin subjectieve kennis verheven is tot objectieve, want concreet, reëel en echt, want ervaren. Wanneer we dus een keuze maken tussen subjectieve en objectieve kennis; de maatschappij heden ten dage subjectieve verkiest boven objectieve, is het de vraag waarin het onderscheid zich in de kern bevindt. Ook over subjectieve kennis kan worden geponeerd dat het individu zich eeuwig kan blijven afvragen of hij op welk gebied ook het eindstation heeft bereikt; ‘echt’ weet wat de kennis is die hij subjectief heeft ontvangen, en of het niet eerder is dat dit soort kennis zich blijft vormen en vermeerdering blijft plaatsvinden zonder definitief iets te kunnen vaststellen; net als bij het objectieve.

Dat gezegd hebbende wordt de voorkeur voor objectiviteit of subjectiviteit sowieso een merkwaardige. Een individu kan over beide niet te weten komen of uiteindelijke kennis verkregen is, enkel dat hij de weg daar naar toe bewandelt en dat dus ook niet valt vast te stellen hoe dicht hij bij de uiteindelijke kennis is, in ieder geval dat hij bij de uiteindelijke kennis nooit zal komen, mede omdat daarvoor nodig is te weten wat die uiteindelijke kennis is (en hij het dan al zou kennen, al op het eindpunt zou wezen).

We zouden dus alle kennis subjectieve kennis moeten noemen, wat betekent dat de betekenis die we momenteel verlenen aan subjectiviteit opnieuw moet worden vastgesteld, wat leidt tot 3 soorten subjectieve kennis: 1) subjectieve kennis zoveel mogelijk ontdaan van persoonlijke voorkeur, 2) subjectieve kennis zoveel mogelijk vervormd naar persoonlijke voorkeur en 3) subjectieve kennis zonder actieve vervorming richting of vandaan persoonlijke voorkeur.

Bezien we kennis vanuit deze drie vormen, dan wordt transparant dat objectieve kennis alleen wordt verworpen omdat persoonlijke voorkeur niet aan de orde is, en spelen zaken als (mate van) verkrijgbaarheid geen rol meer. Kennis ontdaan van persoonlijke voorkeur is kennis die als onderwerp ‘dat wat zich onafhankelijk van ons bestaat’ heeft. Wat niet per definitie impliceert dat wij daarin geen rol zouden kunnen vervullen of dat wij ons dat niet eigen zouden kunnen maken, maar waarvoor wij als  specifiek individu niet nodig zijn om te bestaan. Een lantaarnpaal in Egypte (onderwerp van kennis) ten opzichte van een grootmoeder uit Lelystad (individu), een grassprietje in de VS (onderwerp van kennis) ten opzichte van een peuter uit Madagaskar. Het is ook in die hoedanigheid dat we moeten omgaan met het al dan niet verwerpen van objectiviteit, zo leert ons het voorgaande. En dus doet de vraag die in het begin al gesteld werd zich in andere vorm voor: is het nuttig (al dan niet om het eigen voordeel) om energie te besteden aan het verwerven van subjectieve kennis zoveel mogelijk ontdaan van persoonlijke voorkeur?

Binnen dit artikel is het pleidooi dat het streven naar vermeerdering van dit soort kennis inderdaad nuttig is, zowel voor de ontwikkeling van het individu als van de maatschappij. Op persoonlijk vlak, omdat dit het mens-zijn bij uitstek tot zijn recht doet komen (in wezen een individualistische zienswijze, om in de oude betekenissen te spreken: subjectieve gronden voor objectieve kennis binnen de discussie tussen objectiviteit en subjectiviteit). Dat dit het mens-zijn versterkt komt tot uiting bij het vergelijk tussen mens en dier. Waar het dier zich laat leiden door subjectieve kennis in combinatie met persoonlijke voorkeur, onderscheidt de mens zich door zich ook te kunnen richten op subjectieve kennis ontdaan van persoonlijke voorkeur. Het is daardoor deze kennisvermeerdering die het meeste het mens-zijn benadrukt en die het meeste recht doet aan het mens-zijn.

Voor de ontwikkeling van de maatschappij is dit soort kennis evenzo van groot belang. In gemeenschappelijk gedragen normen en waarden die bij uitstek krachtig zijn omdat daarbij niet moet worden uitgegaan van het individueel afzonderlijke maar het algemeen gedragene. Maar ook kan gedacht worden aan de verschillende werkvelden die indirect de maatschappij mede vormen en helpen ontwikkelen. De filosofie, de economie, het recht, de gezondheidszorg: in ieder vakgebied is het raadzaam om kennis te gebruiken die niet afhankelijk is van het individu maar algemeen is geaccepteerd.

Om de psychiatrie als voorbeeld te nemen, hierbij is het elementair dat subjectiviteit, of mijn nieuwe formulering: subjectieve kennis met inbegrip van persoonlijke voorkeur (al dan niet actief) bij diverse taken niet aanwezig is. Tijdens het observeren van ziektebeelden, het in contact zijn met patiënten, de overdracht tussen diverse diensten, het duiden van stoornissen in de vorm van diagnoses, de rapportages die moeten worden geschreven, bij deze allen dient geneigd te worden naar het zoveel mogelijk vrij zijn van persoonlijke voorkeur. Deze persoonlijke voorkeur impliceert niet enkel de individuele smaak, dit behelst in wezen enige vorm van begrenzing die wordt aangelegd in het kijken, interpreteren en denken. In het geval van de psychatrie liggen daardoor aannames op de loer, maar even zo gevaarlijk is het kokerperspectief waarin elk gedrag en denken van een patiënt wordt geïnterpreteerd vanuit zijn of haar ziektebeeld terwijl naast het zieke gedrag ook sprake kan zijn (vaak juist sprake van is) van gezond gedrag en denken. Wanneer aannames en kokerperspectieven geen aspect van aandacht zijn, wordt de vermeerdering van subjectieve kennis die zoveel mogelijk is en wordt ontdaan van persoonlijke voorkeur, belemmerd. En dit heeft desastreuse gevolgen. Ter verduidelijking een voorbeeld; wanneer een patiënt een verhaal vertelt over dat hij een nare jongen heeft gezien die raar praat onder water kan, wetende dat hij psychotisch is, kan al worden ingevuld dat hier zich een symptoom van zijn ziektebeeld doet gelden. Terwijl doorvragen aan de oppervlakte kan brengen dat hij Spongebob Squarepants heeft gekeken op televisie. Wanneer het niet gericht zijn op wat wij hiervoor objectiviteit noemden zich blijft herhalen, moeten rapportages, diagnoses, overdrachten en dergelijke op zijn minste in twijfel worden getrokken. En krijgt een patiënt op basis van de verkeerde duiding een verkeerde vervolgbehandeling (of volgt zelfs ontslag zonder natraject) dan kan het niet gehoord en begrepen worden uiteindelijk zonder overdrijving leiden tot suïcide. Een verkeerde duiding (zo lazen we eerder) op basis van aannames, kokerperspectief of uit rivaliteit omtrent perspectieven.

Niet alleen om het persoonlijke voordeel, ook om het gemeenschappelijke zou het individu dus vermeerdering van subjectieve kennis zoveel mogelijk ontdaan van persoonlijke voorkeur tot doel moeten hebben, let wel: naast vermeerdering van de overige twee kennisvormen, altijd afhankelijk van tijd, plaats, motivatie, nut en doel. Niet alleen belemmert de weigering hiervan het tot recht komen van het individu, van de mens in het algemeen, ook werkt dit de ontwikkeling van beschaving van de maatschappij tegen en heeft het afwijzen/het niet omarmen van deze kennis, zo lazen wij, in uiterste gevallen zelfs de dood tot gevolg.

Deze situationele omarming van het streven naar wat we eerder objectiviteit noemden, kan worden bewerkstelligd door continu zich bewust te zijn van het eigen denken, de eigen geschiedenis tot op heden en of het aan de orde is dat bij denken en gedrag de eigen geschiedenis tot op heden gekoppeld wordt aan de situatie, het object, waarnaar objectief dient te worden toegetreden. Bij het neigen naar (de eerdere) objectiviteit, dient dit zo min mogelijk te gebeuren. Hoe frequenter in gedachten erbij stil wordt gestaan of de eigen geschiedenis betrokken wordt bij huidig denken en gedrag, hoe meer kan worden bemerkt of dit gebeurt en als dit gebeurt, de relatie tussen beide actief en zo snel mogelijk kan worden verbroken. Dit vereist een hoge mate aan zelfkennis (namelijk de werking van het eigen denken, herkenning van de eigen geschiedenis, en het kunnen controleren van gedachten en gedachtevormingen), maar heeft een nobel doel: verhoging van de menselijke en maatschappelijke waarde en voorkoming van situationeel verval door fouten die voorkomen hadden kunnen worden. Het blijft neigen, maar parallel aan onze natuurlijke neiging om te streven naar optimalisatie, welke natuur ook nooit verzadigd is maar toch wil.