1. De werkelijkheid bestaat uit een ongelooflijke hoeveelheid aspecten.
2. Ons kennen kan worden gezien als toegepaste begrenzingen van verzamelingen aspecten uit die werkelijkheid.
3. Zo kan het begrip 'Ginsberg' worden gezien als de aspectenverzameling: mens, man, dichter, dichten, homoseksueel, Amerika, New York, joods, 1926, 1997, 1926-1997, Universiteit van Columbia, The Howl,
Peter Orlovsky, drugs, enzovoorts.
4. Aspecten die niet met Ginsberg in relatie kunnen worden gebracht vallen derhalve buiten de omgrenzing van dit begrip waardoor van Ginsberg kon worden gesproken.
5. In dit licht hebben we pas zekerheid over of wij daadwerkelijk begrip van de werkelijkheid hebben als we zeker weten dat we bij een begrip (waar de zekerheid betrekking op heeft) alle aspecten binnen zijn begrenzing hebben verzameld.
6. Omdat kennis (wereldwijd) continu vermeerderd, dat is: wij voor ons nieuwe aspecten uit de werkelijkheid ontdekken, betekent dit dat we niet kunnen uitsluiten dat in de toekomst aspecten worden ontdekt die onderdeel uitmaken van onze huidige aspectenverzamelingen, oftewel: betekenistoekenningen.
7. Daardoor kunnen we nooit met zekerheid weten of onze huidige begrenzingen correct zijn.
8. En blijft daardoor onze kennis altijd arbitrair.
9. Hoewel we hierdoor niet zeker kunnen weten, vermeerderd onze kennis wel; door hetzelfde fenomeen als de onzekerheid: nieuw ontdekte aspecten worden geïncorporeerd in (en vergroot daardoor) ons denken, zij het nooit tot dat punt waarop we toekomstige ontdekkingen kunnen uitsluiten.
10. Vanaf deze realisering ontstaat voor de mens de keuze hoe hij zich tot kennis, kennisverwerving en informatie (= bundelingen aspecten) wil verhouden. Bijvoorbeeld om kennis voortaan als waardeloos te
zien, door het ontbreken van de mogelijkheid van controle over de mate van correspondentie met de werkelijkheid. Of bijvoorbeeld in tegenstelling daartoe om waarde daaraan te (blijven) hechten.
11. In de kern is deze keuze een keuze tussen al dan niet de betekenis van waarde toe te kennen aan betekenissen.
12. In feite is dit een keuze tussen leven en dood, oftewel: de eigen aard volgend of daar tegen in gaan, in extreme: kiezen voor het leven of de dood. Zouden we namelijk ook onverschillig staan tegenover de
betekenistoekenning aan het leven (want waarom daar een uitzondering op maken?) dan zouden we met dezelfde eenvoud voor de dood kunnen kiezen.
13. Maar de (gezonde) mens wil leven. En wil daarom waarde hechten aan de betekenistoekenning aan dat leven.
14. Dit fenomeen is een bewijs voor de waardetoekenning aan betekenis.
15. Hierdoor, door het worden geconfronteerd met het bestaan van waardevolle betekenistoekenningen en de mogelijkheid van (in onzer ogen) waardeloze, worden we gesteld voor het vraagstuk welke
andere betekenistoekenningen al dan niet waardevol zijn en start vanaf dat moment waarheidsvinding.
16. Dit wetende doet de vervolgvraag rijzen, afgezien van de positieve houding naar betekenissen en dus kennis, welk gedrag (oftewel actie) ten opzichte van betekenis en kennis het meest aanbevelenswaardig is.
17. Hierbij zijn wij sowieso teruggeworpen op onze menselijke eigenschappen, zich uitend in bijvoorbeeld capaciteiten, behoeften, neigingen en logica.
18. Deze laatste, de logica, waarmee wij ook moeten werken, vertelt ons inzake de waarde van betekenissen bijvoorbeeld dat betekenissen die meer aspecten in zich dragen de voorkeur verdienen boven betekenissen (met betrekking tot hetzelfde onderwerp) bestaande uit een kleinere aspectenverzameling, net als dat deze vertelt dat betekenissen nooit met zekerheid corresponderen met de werkelijkheid.
19. Dit alles tezamen betekent dat we in onzekerheid leven over ons begrip, we ondanks dat toch waarde toekennen aan dat begrip en we, wanneer we een oordeel moeten vormen over iets, dat begrip van de
grootste kwaliteit vinden getuigen, dat de meeste aspecten die daarop betrekking hebben in zich draagt.
20. Bij deze kwaliteitsstandaard nemende de vaststelling dat we waarde hechten aan betekenistoekenningen, maakt dat we gedwongen worden om binnen de menselijke intellectuele gebrekkigheid, die betekenissen aan te nemen als meest sluitend, die getuigen van de grootst mogelijke aspectenverzameling waaruit gekozen kan worden binnen een specifiek onderwerp.
21. Dit weer, maakt dat onze opdracht met betrekking tot omgang met betekenis, -verwerving en informatie luidt, dat we gericht moeten zijn op kennisvermeerdering, betekenissen moeten beoordelen op voorgenoemde kwaliteitseis, en inherent aan het streven naar kennisvermeerdering, tot doel moeten hebben om direct ons oordeel over ons begrip bij te stellen zodra we een nieuw aspect hebben ontdekt die, ten onrechte, tot op heden geen onderdeel uitmaakte van een van onze betreffende verzamelingen.
22. Dit wetende roept voor ons de dienende plicht op om in gezamenlijke zoektochten naar ware kennis elkaar te wijzen op ontbrekende aspecten in elkaars verzamelingen, om zo bij te dragen aan vergroting
van ieders kennis en daardoor van het menselijke in totaliteit.
23. Dat kan op de meest prettige, eerzame, comfortabele en verstandige wijze, door bij de interactie de liefde centraal te stellen.