donderdag 26 mei 2011

Oneindigheid minus 2

Oneindigheid is iets ontzaglijks. Zo ontzaglijk dat we er geen beeld van kunnen vormen. Of we het nu toepassen op materie (zoals de grenzeloosheid van het heelal), op getallen (zoals pi) of op tijd (binnen het goddelijke: 'die is, die was en die komen zal' of in het algemeen het begrip eeuwigheid.)  Waar we oneindigheid ook op toepassen, het lukt ons niet dit te bevatten. Proberen we ons een beeld te vormen van de onbegrensdheid van het heelal dan moeten we concluderen dat er iets moet liggen buiten de vorm die we ons visualiseren. En de reden waarom we hier geen greep op krijgen is uiteindelijk voor de hand
liggend: al de betekenissen die we toekennen binnen ons denken zijn begrensd. Sterker; we kunnen pas iets duiden wanneer het omkaderd is. Is iets in onze psyche nog niet begrensd, dan is datgene voor ons
nog niet geheel duidelijk en hebben we de drang om de leemte op te vullen die nog bestaat. Of anders gezegd; iets is voor ons pas duidelijk wanneer dat bepaalde eigenschappen bevat en anderen juist niet.
Wit is voor ons pas met zekerheid wit als alle andere kleuren kunnen worden uitgesloten. Het getal 1 is dat pas als we zeker weten dat het niet 2, 3, een kwart, een achtste, enz. is. Liefde is voor ons pas liefde
als het niet bijvoorbeeld haat is. Iets is voor ons pas wat bij de gratie van het niet-zijn van iets anders. Of: iets is niet-iets-anders. Dat wetende, dat alle betekenissen die we kennen begrenzingen zijn binnen wat mogelijk is, geeft juist het antwoord op de vraag waarom oneindigheid voor ons niet kenbaar is. Oneindigheid is juist datgene wat onbegrensd is.

Maar dat wetende, wetende dat het oneindige niet kenbaar is, alleen visueel te maken door een liggende acht, een cirkel of een voortdurende kurkentrekker, lijkt een interessant gedachte-experiment om de
vraag te stellen: hoeveel is oneindigheid minus (bijvoorbeeld) 2? Omdat deze vraag een brug vormt tussen het kenbare en het onkenbare, het begrensde en het onbegrensde. Nemen we wat dan ook van het
oneindige, dan moet dat iets eindigs zijn (want niet langer meer het oneindige) waardoor we niet alleen voor de vraag staan wat het antwoord daarop is, maar ook het interessante fenomeen zich aan ons
voordoet dat we terugwerkend het oneindige kunnen kennen: is ?-2 8, dan kunnen we zeggen dat 8+2 10 is. En valt toch oneindigheid te kennen (in dit voorbeeld binnen het getalsmatige). Maar hoewel dit een
boeiend project kan lijken is mijn mening dat we hier aanlopen tegen een of-of vraag. Er is hierbij geen sprake van nuance. Bij oneindigheid kan geen sprake zijn van eindigheid, oneindigheid en iets
(bijvoorbeeld een brug) daartussen. Het eigene van oneindigheid is juist dat het onbegrensd is, en het eigene van het overige dat het begrensd is. Wanneer iets deels begrensd, deels onbegrensd is, is het nog
steeds voor ons onbegrensd. En omdat het het een of het ander is (oneindig of eindig), zou de uitkomst van oneindigheid minus iets alleen iets begrensd kunnen zijn (wederom: omdat het niet meer iets
onbegrensd kan zijn door de afname). De vraag naar oneindigheid minus iets is interessant omdat het plus dat iets ons een verklaring van oneindigheid kan geven. Maar wetende dat oneindigheid onbegrensd is
zal het niet mogelijk zijn die terugredenatie te kennen, maar sterker nog, impliceert dat dat de uitkomst van oneindigheid minus iets ook oneindigheid moet zijn. Omdat we oneindigheid niet kunnen kennen, en we uit de uitkomst van het aftrekken oneindigheid niet kunnen kennen, moet deze uitkomst zelf voor ons iets onbekends opleveren. En daardoor, een voor ons nog niet begrensd (ook al is dat ten dele) getal, of
wat dan ook. Oneindigheid minus iets blijft oneindigheid.

En dat is iets dat fascineert. Een leemte in het menselijk verstand. Dat je iets hebt, je er iets van af haalt, het daardoor veranderd, en het daardoor nog steeds hetzelfde blijft. Een oplossing is er een die al
tijden binnen de wiskunde bestaat. Namelijk: er zijn meerdere vormen van oneindigheid, zelfs verschillende maten van oneindigheid (om even verticaal te denken). Toch nuance dus, maar niet gradaties tussen oneindigheid en eindigheid. Gradaties binnen oneindigheid en binnen eindigheid. Een ding is zeker. Het nadenken over dit begrip levert ontzag op voor het onbegrensde. Sowieso omdat het iets is dat groter is dan de mens. En juist daarom omdat we daardoor weten hoezeer wij zelf begrensd zijn. Omdat we moeten constateren dat we alleen (potentieel) kunnen bevatten wat begrensd is. Terwijl wat onbegrensd voor ons is, mogelijk oneindig is.