Op dat
moment realiseerde ik mij dat ik niet alleen was. Ook merkte ik dat niemand die
mij omringde stil stond. Iedereen bewoog zich voort met ongelijke tred en hoewel
ik af en toe sommigen elkaar in snelheid zag benaderden, bleef de ontmoeting
daarin uit. En terwijl ik mij in deze situatie eerlijk gezegd wat onwennig
voelde, het was en is namelijk niet mijn aard om te bewegen, liet ik mij evenzo
door mijzelf meenemen. Een snelle blik op het weer vertelde mij dat het
onmogelijk was die actueel te omschrijven aangezien hij zich in hoog tempo afwisselende.
Ik probeerde te overzien waar we naar toe gingen maar dat te achterhalen leek
onmogelijk. Lang niet iedereen liep, strompelde of holde namelijk dezelfde kant
op. Hoewel ze overigens wel aan hetzelfde leken te denken. Sommigen sloegen af
die ik later dan weer tegenkwam, anderen renden achterstevoren aan weerszijden
in mijn richting mee, (ik meende daartussen trouwens bekenden te herkennen),
enkelen liepen alsof ze zonder wil waren in de voetsporen van degene voor hen
en ik zag zelfs mensen achteruit rennen (wat af en toe voor flinke botsingen
zorgde). Ook was er in deze massa geen onderscheid des persoons. Ik ontwaarde
ouderen, die opmerkelijk genoeg niet per definitie langzamer liepen dan ik,
hoewel ik toch de leeftijd had waarop je het omgekeerde zou verwachten,
jongeren passeerden mij of liep ik voorbij (sommigen waren niet ouder dan vijf
jaar), en aan hun kleding te zien waren ze van verschillende komaf.
Het meest
vervreemdend aan de hele situatie was dat, niemand uitgezonderd, iedereen om de
zoveel passen viel. Ook wat dit betreft was er geen gelijkheid onder de
bewegenden. De een viel na een stap te hebben gezet, dan na twintig, dan na
vijftien, zo was het aantal bij allen verschillend. Er viel geen consistentie
of stramien in te bemerken. Iedereen viel vroeg of laat zonder een kreet van
pijn te slaken en krabbelde dan weer overeind om verder te gaan. Sommigen
vielen over een gevallene. Anderen vielen uit zichzelf. Maar dan richten ze
zich weer op en vervolgden hun weg zonder iets te zeggen. In zoverre was er wel
sprake van een herhaling. Men liep, viel, stond met lippen op elkaar geklemd op
en liep verder, zij het ieder op een andere tijd en plaats. Zo ook ik. En
hoewel ik er na verloop van tijd steeds meer van overtuigd raakte dat niemand
hiermee zou stoppen aangezien het doel niet vaststond en daardoor niet kon
worden gehaald, ging ik steeds meer gebukt onder dit buitelen. Ik zag dat ook
bij anderen. Het was niet zozeer dat het bij iedere val meer pijn deed, net als
de willekeur van tijd tussen iedere val deed de ene val ook meer pijn dan de
andere, maar wat zich opstapelde was de ergernis hierover. Dat dit onaangename verschijnsel
zich in de tijd vormde was te zien aan de nieuwelingen in de meute. Met nog ongeschonden
kleren konden zij met de verbazing die mij in het begin ook trof schijnbaar
onvermoeid opstaan. Maar bij anderen, die net als ik in het begin ook zo vlekkeloos
waren, waren de kleren inmiddels tot lompen geworden en vielen de plaatsen waar
ze de val probeerden op te vangen duidelijk op hun lichaam te bemerken. De een
bloedde erger dan de ander maar immer was de verbeten en vasthoudende blik op
de gezichten bij ieder gelijk. Ik kon mijn eigen uitdrukking niet zien, maar aan
de hoeveelheid bloed die mijn huid produceerde merkte ik dat ik niet onder deed
voor een groot deel van de menigte. Ik probeerde net als de anderen, wanneer ik
viel, op een nog niet gekrenkt lichaamsdeel terecht te komen maar daar scheen ik
geen invloed op te kunnen uitoefenen. Lukraak kwam ik tijdens deze knullige
pogingen dan weer op mijn dij, elleboog of hoofd terecht. Soms raakte mijn
bebloede linkerknie drie keer als eerste de grond voordat de rest volgde, dan
weer was het mijn schouderblad die het won. Bij sommigen verried het bloed een
zo groot toeval dat maar op een enkele plaats de lompen besmeurd waren. Na
verloop van tijd ging ik ze daarom bijnamen geven als Knieval en Achterhoofdval,
ik weet niet of de anderen zich daar ook mee bezig hielden. Omdat dit vallen
toch iedere keer een onaangenaam gebeuren was en ik niet scheen te kunnen
voorkomen dat ik op een reeds bezeerde plek weer viel, ging ik mij er steeds
meer toe zetten om simpelweg niet meer te vallen. Deze doelstelling bleek ook niet
te kunnen worden verwezenlijkt te meer daar ik niet wist wat de reden van mijn
vallen was. Achteraf bemerkte ik dan wel het opstakel dat aan de oppervlakte
voor het verse bloed zorgde, maar het was steevast achteraf. Ik merkte dat de anderen
daar ook mee worstelden. Het was niet zo dat ze (behalve de nieuwelingen) bij
iedere val schrokken om de tuimeling, daarvoor vielen ze simpelweg te vaak,
maar de behoedzame blik ervoor en de begrijpende blik erna getuigden ervan dat,
behalve de val zelf, niets was in te calculeren. En opeens begon ik dit
voortbewegen, vallen, opstaan en weer voortbewegen niet meer vanzelfsprekend te
vinden. Het zou eeuwig doorgaan en het leek tot niets te leiden. Ik wilde graag
aan anderen vragen hoe zij hierin stonden maar de gewilligheid waarmee zij
vielen en steunend op hun stukke handen zich weer druipend van het bloed
oprichtten, vertelde mij dat dit een persoonlijke kwestie was. Ik was op
mijzelf aangewezen en omdat ik een weloverwogen beslissing wilde maken besloot
ik daar nog even tijd aan te besteden. Maar iedere keer kwam ik in gedachten
tot de slotsom dat ik niet wist waar ik heen ging, dat het vallen
onvermijdelijk en het neerkomen pijnlijk was. En ondanks dat ik niet hield van
opgeven besloot ik toch hieraan gehoor te geven. Meteen stopte ik, waaruit
bleek dat het vallen voortkwam uit het voortbewegen aangezien het eerste niet
meer gebeurde.
Het moment
van vrijheid en gelukzaligheid die ik toen ervoer was van korte duur want voor
ik er erg in had verdween de golvende massa, die mij door mijn dissonante
gedrag nog kort bevreemd aankeek, en maakte plaats voor een nieuwe menigte die
overal vandaan leek te komen en net als ik in onverminderende vaart richting
een groot vuur rende waarin de aangekomenen met luid gegil verdwenen, zij het
zonder onderweg te kunnen vallen.